Blog

  • ‘Safer Cities’ zet seksuele intimidatie op de kaart

    Bekijk de stad door de bril van een meisje of (jonge) vrouw en je zou wel eens kunnen schrikken. Voortdurend alert en anticiperend op mogelijk gevaar beweegt zij zich voort in haar stad. Van jongs af aan worden meisjes gewezen op hun kwetsbare positie binnen de publieke ruimte en aangemaand om daarnaar te handelen. Ook in een land als België dat emancipatie doorgaans hoog in het vaandel lijkt te dragen, geldt het fundamentele recht op bewegingsvrijheid maar voor de helft van zijn bevolking. 

    Het digitaal platform Safer Cities van Plan International wil de afweging die veel meisjes vandaag maken tussen zich vrij kunnen verplaatsen en de kans om lastig gevallen te worden overbodig maken. Door voorvallen van seksuele intimidatie op straat in kaart te brengen en die om te zetten naar concrete beleidsaanbevelingen kan de publieke ruimte haar naam misschien terug recht aandoen. Onlangs verscheen er een rapport met een eerste analyse van de meldingen die het platform registreerde. De resultaten zijn op z’n zachtst gezegd alarmerend te noemen. 

    In Brussel vindt seksuele intimidatie voor 29% plaats op straat, voor 20% op het openbaar vervoer en voor 20% op vrijetijdsplaatsen

    Hotspots van seksuele intimidatie

    Wat is het Safer Cities platform?

    Het plaform kadert binnen het Safer Cities programma dat ondertussen al zo’n tien jaar bestaat en door Plan International samen met de Verenigde Naties op internationaal vlak werd opgericht. Safer Cities streeft ernaar om “veilige, verantwoordelijke en inclusieve steden te bouwen met en voor jongeren in al hun diversiteit.” Het programma werd uitgerold in steden als Caïro, Lima en Delhi en met de hulp van Europese middelen is ook in België het programma van start kunnen gaan in Brussel, Antwerpen en Charleroi. In 2021 heeft ook de stad Gent zich aangesloten. 

    Het online platform is later aan het Safer Cities project toegevoegd om een groot aantal concrete verhalen van jongeren naar het oppervlak te brengen die tot nu toe onder de radar bleven. De nood aan een laagdrempelige manier om informatie te verzamelen was hoog, want het rapporteren van seksuele intimidatie gebeurt veel te weinig. Volgens Wouter Stes, coördinator van het Safer Cities project, zou slecht 6% van de slachtoffers aangifte doen bij de politie. Het gebrek aan data geeft een gebrekkig beleid. Het taboe dat nog steeds rond het onderwerp heerst en het leven in een samenleving die dit gedrag lijkt te normaliseren, maakt de drempel om het gedrag te rapporteren vaak extra hoog.

    “De maatschappij waarin wij leven aanvaardt discriminatie, alsof het deel uitmaakt van het dagelijks leven of zelfs een norm is.”

    Gebruiker van het platform, 23 jaar, Charleroi

    Een beleidstool om selffulfilling prophecies te voorkomen

    Jongeren kunnen door het plaatsen van een pin tot op straatniveau plekken aanduiden waar ze zich onveilig (of net wel veilig) voelden. Hierdoor kan het huidige tekort aan data mee verholpen worden en nemen de slachtoffers een belangrijke signaalfunctie op zich. Naast het kwantitatieve aspect stelt het platform ook bijvragen zoals wat volgens het slachtoffer het motief was van de dader. De intimidatie kan vanuit seksistische hoek komen, maar ook racistisch gemotiveerd zijn, vanuit een sociale klasse verschil komen of gebaseerd zijn op holebihaat. Op die manier wordt er bij het plaatsen van getuigenissen ook naar intersectionaliteit gepeild. 

    Plan heeft bewust voor een beleidstool gekozen waarbij de gegevens naar de stedelijke diensten worden doorgespeeld die dan heel gericht maatregelen kunnen nemen. Bij een live tool zouden boodschappen als “dit is een onveilige wijk” ervoor zorgen dat de beleving van die wijk al een invulling krijgt nog voor mensen er zelf eens zijn langs geweest. De organisatie houdt liever zelf de controle in handen om zo stigmatisering van bepaalde plekken tegen te gaan. Er zijn volgens Stes wel hotspots van seksuele intimidatie zoals treinstations en uitgaansbuurten. Specifiek in Brussel vindt seksuele intimidatie voor 29% plaats op straat, voor 20% op het openbaar vervoer en voor 20% op vrijetijdsplaatsen. Ook op weg naar school heeft 9% van de Brusselse jongeren last van seksuele intimidatie.

    Verontrustende cijfers met een grote impact

    Het advies aan vrouwen om hun agenda te schikken naargelang het uur van de dag en het feit of ze al dan niet in gezelschap zijn, is geen paternalistisch gebullshit of overbodige luxe. Zo geeft 91% van de meisjes en 28% van de jongens aan slachtoffer te zijn geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag.  Het is dus een veel voorkomend maatschappelijk probleem met verregaande gevolgen. Voornamelijk op psychisch en lichamelijk vlak, maar zeker ook op hoe een slachtoffer zich vanaf dan in de stad gaat voortbewegen. “Het is zowel door het feit zelf, maar ook door de beperking van die bewegingsvrijheid dat er verschillende rechten worden geschonden”, vertelt Stes. Uit het recent uitgebrachte rapport komt dan ook naar voren dat één op de twee meisjes in de Belgische steden zich beperkt voelen om zich vrij te bewegen. Dit gevoel leidt tot het maken van keuzes die invloed hebben op het dagelijks leven van meisjes.

    “Het overkomt me zo vaak en als vrouw kan ik niet genieten van de natuur of een goed boek lezen in het park. (…). Ik wil me niet constant opgesloten voelen in mijn kamer! Ik heb ook het recht om op mijn gemak te zijn.”

    Gebruiker van het platform, 23 jaar, Brussel

    Wat er verder opvalt aan de cijfers is dat omstaanders bijna nooit in actie schieten wanneer ze getuige zijn van grensoverschrijdend gedrag. Het ingrijpen van getuigen kan nochtans een grote rol spelen bij het inperken van seksuele intimidatie. Brussel scoort hier met 70% opmerkelijk beter dan Antwerpen (97%) en Charleroi (91%). Volgens Plan is dit het resultaat van campagnes rond het omstanderseffect die de laatste jaren in Brussel reeds gevoerd werden. 

    Preventie en een veelzijdig beleid als antwoord

    Bovenstaand voorbeeld toont aan dat sensibiliseren wel degelijk zijn effect heeft en het rapport biedt dan ook een aanbevelingsplan. Preventie door middel van campagnes is één van de vier pijlers die uit het platform en uit rechtstreeks overleg met jongeren voortvloeiden om seksuele intimidatie het hoofd te kunnen bieden. De omstaanders in openbare ruimtes moeten beseffen dat ze wel degelijk een verschil kunnen maken. Ook het hebben van genoeg aanspreekpunten en vertrouwenspersonen is volgens de jongeren cruciaal. Personen op school, bij het openbaar vervoer en in verenigingen zouden best opgeleid worden om deze rol op zich te kunnen nemen.

    Daarnaast wordt aanbevolen om safe spaces te voorzien in vrijetijdszones waar vertrouwenspersonen daadwerkelijk aanspreekbaar zijn. Ook beveelt men aan om politieagenten meer te sensibiliseren zodat slachtoffers van seksuele intimidatie sneller naar het politiekantoor durven stappen. Een laatste belangrijk advies is om jongeren duidelijk een stem te geven in het werken aan inclusieve steden. Een uitgebreidere uiteenzetting van de aanbevelingen vind je hier terug.

    ”De volgende fase is om die boodschap over te brengen naar politici en het grote publiek zodat de aanbevelingen echt kunnen worden geïntegreerd in de werking van de stad.”, aldus Stes. Om die integratie vlot te laten verlopen, loopt er in elke stad een beleidstraject dat een nauwe samenwerking met lokale overheden en middenveldorganisaties moet stimuleren. 

    Meer vrouw op straat

    Je kan nog tot eind augustus een melding maken op het platform. Er zijn al enorm veel nuttige cijfers en pakkende verhalen uit dit project gekomen, en in de periode 2022 – 2026 zullen ook een hoop andere steden aan het programma deelnemen. Ondertussen staat de meldingenteller in Brussel, Antwerpen, Gent en Charleroi op meer dan 4 100. De problematiek die voor veel vrouwen bij het dagelijks leven hoort, wordt zo eindelijk onderbouwd door data. We kunnen alleen maar hopen dat de druk op lokale en nationale overheden door dit project genoeg toeneemt en zich weet te vertalen in een geschikt beleid dat kan breken met deze norm.

    Niemand kan nog zeggen “ik wist niet dat het zo erg was”. Het is nu aan de gehele samenleving incluis politiek om haar verantwoordelijkheid op te nemen en vrouwen te helpen een stuk van hun ontnomen vrijheid terug te geven. Nog urgenter dan het krijgen van straatnamen verdienen vrouwen bovenal een veilige plek op die straat. Nog urgenter dan het krijgen van straatnamen verdienen vrouwen bovenal een veilige plek op die straat.

    Over de auteur: Jelena Van Wichelen
    is redacteur bij Free.Brussels.
  • Pendelen na corona: het kan anders

    Pendelen. Voor de corona-pandemie deden de Belgen het massaal. 72% van de werkende bevolking in België verplaatste zich iedere dag naar het werk met de auto. Toen covid-19 toesloeg, werd thuiswerken verplicht en stokte de pendelstroom. Dit heeft gevolgen voor zowel de pendelaar als de werkgevers, de NMBS én de handelaars in de stad Brussel. 

    Het begrip pendelen impliceert dat de woonplaats en de locatie van het werk zich niet in dezelfde gemeente bevinden. Dan lijkt het gebruik van de auto een logische stap, maar naast die 72% gebruikt ook 21% de trein. Diegenen die de trein nemen, doen dit vaak richting Brussel.

    De werkgelegenheid is namelijk het hoogst in onze hoofdstad door de grote aanwezigheid van overheidsinstellingen en administratieve sectoren. Meer dan de helft van deze jobs worden ingevuld door mensen die niet in de hoofdstad zelf wonen.

    De wijk rond Brussel-Noord, © Ella Oelbrandt

    Working 9 to 5?

    Door corona zijn pendelaars echter gaan nadenken over hun work-life balance en hun mobiliteit. Zo won de fiets aan populariteit en niet alleen als recreatie, maar ook als vervoer richting het werk. Daarnaast waren veel pendelaars blij met de gewonnen tijd.

    In plaats van op de trein te zitten of in de file aan te schuiven, was er meer aandacht en ruimte voor het gezin en andere hechte personen. De herwonnen vrijheid kan dus bijdragen aan een verhoogd individueel welzijn en een groter gevoel van autonomie. Thuiswerk is tijdens corona de norm geworden, maar voordien werd en nauwelijks gebruik van gemaakt.

    Nu geven veel mensen aan enkele dagen in de week te blijven thuiswerken. Dit geldt natuurlijk niet voor de gehele werkende bevolking, maar de stijging in populariteit is toch significant. De grotere zelfbeschikking is namelijk een groot pluspunt. 

    De herwonnen vrijheid kan dus bijdragen aan een verhoogd individueel welzijn en een groter gevoel van autonomie.

    Bye, kantoorruimte

    Naast de pendelaars zelf zijn er ook hun werkgevers. De Noordwijk van Brussel is een administratieve hub waar verschillende bedrijven gevestigd zijn, waaronder enkele grote hoofdzetels. Het verplichte thuiswerk zette enkele bedrijven aan om na te denken denken over hun kantoorruimte en -gebruik.

    In december 2020 liet Proximus, dat gevestigd is naast het station van Brussel-Noord, weten dat het kantoorruimte zou schrappen. Van de 105 000 vierkante meter zou er 40 000 overblijven. Proximus staat niet alleen met deze transformatie, ook de Europese Commissie denkt na over een knip in de gebruikte ruimte.

    Tussen woord en daad zit echter nog veel afstand, maar het is duidelijk dat er een mentaliteitsverandering is wat betreft de kantoorgebouwen.

    40 km extra fietspaden 

    Naast de bedrijven zelf was ook in onze mobiliteit de impact van corona merkbaar. De NMBS paste haar dienstregeling aan en de Brusselse Grote Ring was verbazingwekkend rustig tijdens de eerste lockdown.

    Tegenwoordig is er een zekere terughoudendheid om in een gesloten bus, trein of tram te kruipen. Koning auto staat echter nog altijd sterk en ook de fiets wint aan populariteit. Hier werd ook op ingezet door de Brusselse regering en Elke Van den Brandt, Brussels Minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Verkeersveiligheid, heeft vele kilometers extra fietspad beloofd en voltooid. 

    Of het nu gaat over meer thuiswerk, het schrappen van kantoorruimte of de aanleg van fietspaden: overal is er de belofte om het anders te doen.

    Bij alle actoren die betrokken zijn bij het pendelen is er dus een mentaliteitsverandering zichtbaar. Of het nu gaat over meer thuiswerk, het schrappen van kantoorruimte of de aanleg van fietspaden: overal is er de belofte om het anders te doen.

    Terwijl vroeger krampachtig werd vastgehouden aan exacte werkuren is er meer ruimte voor flexibiliteit en zelfbeschikking. De verhoogde zelfbeschikking over de invulling van de tijd of het type verplaatsing kan zorgen voor een kwalitatief betere werkomgeving en -tevredenheid.

    Nu is het wachten op het einde van de pandemie om te zien of deze beloftes en positieve verwachtingen ook realiteit zullen worden. 

    © Arne Declerck
    Over de schrijver: Ella Oelbrandt is redacteur bij Free.Brussels en studeert sociologie aan de Vrije Universiteit Brussel.
  • Voedselverspilling in Brussel: waarom u binnenkort gaat horen van FoodWIN

    In een coole co-workingspace vlak aan het kanaal trof onze redacteur Annelies en Loïck, de al even coole werknemers van FoodWIN: een Brusselse vzw die op alle fronten strijdt tegen voedselverspilling. Een gesprek over verlepte sla, apps versus voedselbanken, en uw koelkast. 

    Annelies kijkt mij schuin van onder haar wenkbrauwen aan. “Bananenbrood is stilaan een beetje cliché zeker?” Ook Loïck moet even nadenken voor hij antwoordt, maar vervolgens zegt hij gedecideerd: “soep, sowieso.”

    De vraag die ik hen gesteld heb? Geen geval van misplaatste curiositeit naar de inhoud van hun lunchpakket of volgende knabbeltje, no sir, wel een gericht polsen naar hun lievelingstip om restjes weg te werken. Ik ben immers te gast bij FoodWIN, hét aanspreekpunt for all things voedselverspilling. 

    Je kent het gegeven ongetwijfeld: kijkend naar het nieuws of een documentaire, lezend in het betere opiniërende weekblad, word je overmand door een verlammende onmacht. Het gevoel dat je wel iets wilt doen aan klimaatverandering, maar geen idee hebt waar te beginnen.

    Want je reist al met de trein, je gebruikt wasbare wattenschijfjes in plaats van de wegwerpvariant, je draait enkel volle wasmachines, en dat kikkererwten en linzen prima vleesvervangers zijn, is voor jou al lang geen geheim meer. En toch blijkt het niet genoeg om de dorst van dat knagende geweten te lessen. 

    Herkenbaar? Dat dacht ik al. Dus laat ons eens naar uw koelkast kijken, en de 369 euro die er voor het grijpen ligt.

    Supermarkten en superverspillers 

    Voedselverspilling is verantwoordelijk voor 8% van de globale uitstoot aan broeikasgassen. Dat is ruim 4 keer zoveel als het aandeel van de luchtvaart (1,9 %), of om het nog tastbaarder voor te stellen: mocht ‘voedselverspilling’ een land zijn, dan was het de derde grootste vervuiler wereldwijd, na China en de Verenigde Staten, volgens de website ‘Our World in Data’. En binnen die 8% is de eindconsument veruit de grootste verspiller, aldus Annelies. 

    Wanneer het op vervuiling aankomt, wijzen we vaak – terecht – naar de grote bedrijven veeleer dan naar het individu. Voor voedselverspilling ligt dat toch enigszins anders.

    Volgens een studie van Fusions, uitgevoerd in 2016, zijn in Europa de consumenten verantwoordelijk voor 53 % van alle voedselverspilling, de supermarkten daarentegen slechts voor 5 %. Annelies verklaart: “de consument is nu eenmaal de grootste groep, we zijn letterlijk met miljoenen. Als iedereen een beetje weggooit, is dat meteen heel veel.” 

    Net daardoor kan de consument een heel groot verschil maken: verandert het gemiddelde huishouden zijn gedrag ten goede, dan heeft dat een gigantische impact. En dat is precies wat FoodWIN wilt teweegbrengen.

    Food Waste Mission BXL 

    De reikwijdte van FoodWIN is indrukwekkend: de vzw werkt samen met lokale overheden, ze coördineert de Food Waste Alliance, sensibiliseert consumenten samen met HelloFresh, en ze geven advies aan grootkeukens in ziekenhuizen, scholen en bedrijven.

    Annelies overdrijft niet als ze zegt dat hun actieradius breed is. En nu – om meer specifiek het individu en huishoudens te bereiken – is er de Food Waste Mission. De Food Waste Mission is een actie waarbij huishoudens zich gedurende 5 weken laten begeleiden via e-mail.

    Deelnemers krijgen onder andere tips over koelkastindeling, houdbaarheidsdata, en maaltijdplanning. Het ABC van preigroen en bloemkoolbladeren, rechtstreeks toepasbaar op uw groenteschuif.  

    De actie ging eerder door in Brugge, waar het een groot succes was. Loïck: “Aanvankelijk mikten we op 500 deelnemers. Dat werden er uiteindelijk meer dan 750, die ook vandaag nog contact houden.”

    Het community-gevoel bleek groot, glundert Annelies, “de deelnemers sturen elkaar nog geregeld tips op de facebookpagina, zo blijft het project verder leven.” 

    Annelies en Loïck van FoodWIN © Aurélien Goubau

    Nu richt de vzw haar pijlen op Brussel, en wederom is de ambitie groot: ze streven naar minstens 1000 Brusselse huishoudens, in al hun variëteit. En ook hier lijkt het aan te slaan. De actie gaat pas van start op 6 september, maar nu al zijn er meer dan 150 kandidaten.

    Inschrijven is gratis, of beter gezegd, een regelrechte kostenbespaarder: het gemiddelde huishouden kwakt per jaar 369 euro in de vuilbak. Na de actie zal dat gegarandeerd een pak minder zijn, zegt Loïck, en met blijvend effect.

    “Bewustwording en kennisverspreiding zijn dé oplossing om voedselverspilling tegen te gaan.” 

    Foodwin vzw richt nu haar pijlen op Brussel, en wederom is de ambitie groot: ze streven naar minstens 1000 Brusselse huishoudens, in al hun variëteit.

    Transparantie?

    Niet enkel FoodWIN speelt in op de bewustmaking van de consument. De laatste jaren zagen we de opkomst van apps die actief strijden tegen voedselverspilling door de overschotten in winkels aan te bieden aan een verlaagde prijs. Begin juni werd nog de Phenix-app gelanceerd in België, maar TooGoodToGo blijft veruit de bekendste. 

    Dergelijke apps kunnen natuurlijk alleen bestaan omdat er nog steeds aanzienlijke overschotten liggen in de winkels. Exacte aantallen en overproductie blijven blinde vlekken, en wat met de voedselbanken, die afhankelijk zijn van deze overschotten? 

    Loïck roept op tot meer transparantie: “Er is een gebrek aan algehele transparantie in de voedselketen, waardoor het heel moeilijk te bepalen is wat de overschotten zijn en waar ze naartoe gaan.

    Daarom pleiten we ook steeds voor het meten van voedselverspilling, en het bekendmaken van deze cijfers. Alleen zo kunnen we het probleem bij de bron aanpakken en vermijden dat preventie een secundaire strategie wordt, of dat sociale schenkingen afnemen ten nadele van commerciële oplossingen.”

    Er is een gebrek aan algehele transparantie in de voedselketen, waardoor het heel moeilijk te bepalen is wat de overschotten zijn en waar ze naartoe gaan.

    Loïck, medewerker van FoodWIN

    Kijken, ruiken, proeven: de Veilige Drievuldigheid

    In een ideale wereld hebben we natuurlijk minder en minder nood aan apps die wegkwijnende waar aan de man trachten te brengen, maar het is duidelijk dat er iets beweegt in de maatschappij, en stilaan ook in het bedrijfsleven.

    Loïck: “We beginnen die mental shift inmiddels ook te zien bij voedingsbedrijven. Voor bepaalde producten – zoals deegwaren en zuivel – zien we een verschuiving in houdbaarheidsdata van TGT (te gebruiken tot) naar THT (tenminste houdbaar tot), zelfs al gaat dit tegen hun eigen financieel belang in. Danone is daar een mooi voorbeeld van.” 

    Resten ons nog enkele laatste profetische woorden van Loïck. “Los van vlees – en visproducten, durf meer te vertrouwen op uw eigen zintuigen om te beslissen of iets nog eetbaar is of niet. Kijken, ruiken, proeven. Als alle drie OK zijn, kan je het perfect consumeren.” 

    Kijken, ruiken, proeven: uw nieuwe Veilige Drievuldigheid.  Zo. Schrijf u zeker in voor de Food Waste Mission op www.foodwastemission.be, en mocht u toch nog op zoek zijn naar een goed recept voor bananenbrood, geef mij dan gerust een seintje.

    Eva De Gelder is redacteur bij Free.Brussels
    en auteur van het boek ‘Canis’.
    Aurélien Goubau is fotograaf bij Free.Brussels.
  • Grote vragen: Dirk De Wachter (animatie + podcast)

    In de reeks Grote Vragen laten we denkers aan het woord over dé grote vragen van ons leven. In deze aflevering horen we Dirk De Wachter over wat gelukkig zijn voor hem betekent. Voor De Wachter zit geluk in het zorgen voor de ander. Hij pleit voor een leven vol verbinding en empathie. Beluister nu de complete aflevering op Spotify, Apple Podcasts en alle andere grote platformen.

  • Brusselse daklozen op hotel tijdens corona: “Het is alsof je niet bestaat” (fotoreportage)

    Fouad, een kloeke twintiger, staat een sigaret te roken in de schaduw van een boom op de Fierlantstraat: “Enkele jaren terug was ik taxichauffeur. Ik vervoerde hoofdzakelijk zakenmensen van Hotel De Fierlant naar de Europese wijk.”

    Hij is getrouwd en heeft drie kinderen. Na familiale problemen, geraakt hij tijdelijk ontspoord en in nog geen drie jaar tijd was hij alles kwijt. Omdat hij momenteel zonder domicilie leeft, vraagt hij onderdak aan in Hotel De Fierlant.

    Hotel De Fierlant ontvangt daklozen, mensen die thuis niet meer welkom zijn of zelf hun huis verlieten en net gearriveerde migranten. Ze kunnen er voor weinig geld genieten van het comfort, de rust en de kalmte, maar van zodra ‘citytrippers’ opnieuw in hordes de stad overspoelen moeten de straat op.

    De situatie in Hotel De Fierlant is bijzonder. Mensen zonder onderdak, komen plots in een driesterrenhotel terecht. Door de corona-pandemie moesten Brusselse hotels tijdelijk hun deuren sluiten en wanneer de deuren terug open mochten, bleef de toestroom van toeristen en zakenlui uit. Enkele Brusselse OCMWs besloten daarom tijdelijk de kamers aan te bieden aan mensen zonder onderdak. 

    “Het is een tijdelijke oplossing” zegt Fouad. Fouad vertelt over zijn administratieve avonturen in Brussel. Wat begint als een slopend verhaal over kafkaiaanse bureaucratische toestanden verandert snel in een survival-of-the-fittest-strijd.

    “Dakloos zijn in Brussel: het is alsof je niet bestaat, alsof je niet meer deel uitmaakt van de maatschappij. Ik hoop dat ik tijdens mijn verblijf in het hotel mijn financiële en professionele situatie kan rechttrekken.” 

    “Dakloos zijn in Brussel: het is alsof je niet bestaat, alsof je niet meer deel uitmaakt van de maatschappij. Ik hoop dat ik tijdens mijn verblijf mijn financiële en professionele situatie kan rechttrekken.”

    – Fouad

    Onzichtbare mensen zichtbaar maken

    Sinds begin maart trekt fotograaf Aurélien Goubau naar hotel De Fierlant op zoek naar de individuele verhalen van mensen die er hun batterijen komen opladen. Naast Fouad ontmoette hij ook Ulysse, Isabelle, Lutumba, Dominique en Christelle. Eén voor één benadrukken ze hoe fragiel en onvoorspelbaar het leven soms kan zijn.

    Aurélien fotografeerde hen in hun hotelkamer, waardoor ze voor de buitenwereld niet dakloos lijken. Hun verblijf in het hotel verandert structureel niets aan hun situatie, maar ze kunnen tijdelijk op adem komen.

    ULYSSE

    Ulysse © Aurélien Goubau

    Je zou kunnen zeggen dat Ulysse talloze levens heeft gehad. Hij is 71 jaar, maar zijn minimumpensioen volstaat niet om een appartement mee te huren. Na jaren in een mooi appartement langs de Schelde in Antwerpen te wonen, werd Ulysse 30 jaar geleden ontslagen. Hij greep naar de fles en werd verslaafd.

    Met veel goesting om te werken, verhuisde hij naar Brussel; hier kon hij af en toe terecht bij vrienden of kennissen voor onderdak. Werk vinden was moeilijk en dat werd niet gemakkelijker met de leeftijd.

    Kort voor de pandemie kwam hij helaas op straat terecht. In Hotel De Fierlant krijgt hij vandaag de rust om een oplossing te zoeken voor zijn situatie. Ulysse vertelt dat er in ons land verschillende manieren zijn om steun te krijgen, vooral in onze hoofdstad ziet hij mogelijkheden tot  sociale bijstand.

    Toch is het moeilijk om die hulp te vragen, zegt hij. “Aanvaarden dat je het niet alleen kan dragen, vraagt veel moed en niet iedereen kan dat zomaar.” Momenteel zoekt Ulysse een appartement in de omgeving van Seneffe. Hij voelt zich daar goed en de huurprijzen liggen veel lager dan in Brussel. 

    Aanvaarden dat je het niet alleen kan dragen, vraagt veel moed. Niet iedereen kan dat zomaar.

    – Ulysse

    ISABELLE

    Isabelle © Aurélien Goubau

    Isabelle woont al 10 jaar op straat. Ze slaapt vaak in de Tuin van de Abdij van Ter Kameren, vlakbij het drukke Flageyplein. Meer wilde Isabelle niet vertellen over haar levensverhaal.

    LUTUMBA

    Lutumba © Aurélien Goubau

    Lutumba is Congolees en kwam 6 jaar geleden naar Brussel. De meeste nachten daarvan sliep hij op straat. Hij heeft altijd een bijbel en zijn gitaar bij zich. Ondanks zijn talloze pogingen om werk te vinden, heeft Lutumba tot nu toe niets stabiels gevonden.

    “Ik zou graag in de horeca werken, maar weinig werkgevers zijn bereid om mij aan te nemen vanwege mijn migratieachtergrond.” Sinds de corona-pandemie krijgt Lutumba steun van het OCMW. Sinds kort weet hij dat hij binnenkort een appartement voor zichzelf zal hebben. Hij hoopt dat die zekerheid hem zal helpen om een job te vinden.

    Lutumba © Aurélien Goubau

    DOMINIQUE & CHRISTELLE

    Dominique en Christelle © Aurélien Goubau

    Dominique en Christelle ontmoetten elkaar in Hotel De Fierlant in februari dit jaar en vormen sindsdien een koppel. Na moeilijke familieomstandigheden en werkproblemen, kwamen ze allebei in 2020 op straat terecht. Christelle heeft ook nog een zoon waar ze voor zorgt. Hun tijdelijk verblijf in het hotel betekende voor hun allebei veel.

    Dominique en Christelle verblijven niet langer in het hotel en hebben samen als een gezin een tijdelijk verblijf gevonden in Molenbeek. Ze hopen hiermee aan een nieuw hoofdstuk van hun leven te zijn begonnen, ver weg van de problemen van de straat. 

    Wat na corona?

    Deze verhalen illustreren hoe een dak boven het hoofd hebben, al is het maar tijdelijk, een leven kan veranderen. Niet enkel in tijden van corona. Het feit dat mensen zonder onderdak een tijdelijk verblijf krijgen zegt veel over onze maatschappij.

    Hebben we echt een mondiale crisis als deze pandemie nodig opdat onze stad in gang zou schieten voor deze mensen? De corona-crisis werkt als een vergrootglas voor de structurele problemen en ongelijkheden van onze maatschappij.

    Hopelijk laat het stadsbestuur deze mensen niet in de steek na corona, en zien ze in hoe onderdak een basisconditie is voor een waardig bestaan.

    Aurélien Goubau is fotograaf bij Free.Brussels.
    Nina Poels is redacteur bij Free.Brussels.
  • Van preutsheid tot #freethenipple: All things boobs! (Opinie)

    De teloorgang van de monokini, borstvoeding in het openbaar, vrouwendag in de sauna, Taboob: vrouwelijk naakt is steeds weer het onderwerp van discussie, ondanks jaren van seksuele bevrijding en emancipatie. Waarom hebben we nog steeds zo’n schizofrene verhouding met de vrouwelijke voorgevel? 

    Als kind ging ik vaak met mijn mama naar het strand. We gingen naar de Belgische kust, de Franse, we gingen naar Tenerife, en ook naar meer exotische bestemmingen zoals de Dominicaanse Republiek: strand en zand alom, het voordeel van de dochter van een airhostess te zijn. 

    Ze lag altijd monokini op het strand, en het was een gebruik dat ik volgde zonder mij daar veel vragen bij te stellen, als kind, maar ook nadat ik zelf borsten begon te ontwikkelen. In die tijd – jaren 90, begin jaren 2000 – was baden in monokini immers een redelijk courant gebruik bij vrouwen, met als voornaamste beweegreden ‘bruin, bruiner, bruinst’ – de beoogde kleur van hun decolleté, niet de politieke overtuiging. 

    Maar eind jaren 2000 kantelde er iets. Rond de borststreek doken er meer en meer stoffen driehoeken en gebeugelde halvemanen op, met daaronder een huid die wit, witter, witst zag. Vanaf 2010 waren er nauwelijks nog vrouwen te zien die topless lagen te zonnen, en werd er steeds vaker afkeurend geloerd naar diegenen die het wél nog deden, zodat ook mijn mama en ik uiteindelijk maar toegaven aan de groepsdruk, en voortaan ons bikinitopje aanhielden. 

    Puntje bij paaltje

    Niet enkel op het strand vonden er veranderingen plaats voor onze gepunte welvingen. Op Instagram worden posts waarin borsten te zien zijn onmiddellijk verwijderd, en bij herhaling het profiel geblokkeerd. Voor foto’s van vrouwelijke borsten welteverstaan, mannelijke blote basten zijn meer dan welkom. Nog op sociale media zond KLM in 2019 de volgende Tweet de wijde wereld in: 

    “Borstvoeding is toegestaan tijdens KLM-vluchten. Echter, om er zeker van te zijn dat alle passagiers met verschillende achtergronden zich aan boord comfortabel voelen, kan het voorkomen dat we een moeder verzoeken om zichzelf te bedekken tijdens de borstvoeding als medepassagiers zich er niet prettig bij voelen.”

    Het strand, de straat, Instagram, borstvoeding: borsten in het openbaar zijn het strijdtoneel verworden van puriteinen die vrezen te verstenen bij de aanblik van een tepel, en ze worden bijgevolg weggemoffeld, ‘geblurred‘, of verbannen, uit angst er iemand mee te schofferen. 

    Tegelijkertijd beweren we de meest ruimdenkende generatie ooit te zijn, o zo bevrijd en progressief, immer klaar om ten strijde te trekken tegen vooroordelen en onrecht. En terwijl we de mond vol hebben van emancipatie, zelfbeschikking en gelijke rechten voor allen, is er nergens een borst in zicht, en zijn de vrouwelijke tepelhoven enkel toegestaan in het koninkrijk der porno. Maar we zijn vrij! Ja toch? 

    Bwa. Het doet mij denken aan die quote van Jack Nicholson in Easy Rider. “Talkin’ about it and bein’ it, that’s two different thangs” (red: thangs, niet things)

    Laat ons eerlijk zijn: er is een nieuw Victoriaans trekje opgedoken in ons denken. Hoewel we niet stoppen met te leuteren over onze seksualiteit, als het puntje * badum tss * bij paaltje komt houden wij vrouwen onze handdoek met een angst rond ons geklemd alsof ons leven ervan af hangt, of op zijn minst onze toekomst, want iemand moest maar eens uw tepels hebben gezien. En ook al wilt niemand het toegeven, we zijn met zijn allen een pak preutser geworden in vergelijking met enkele decennia geleden. De hamvraag is natuurlijk: waarom? 

    De Madonna-hoer en andere drogredenen  

    Een korte zoektocht op Google levert enkele mogelijke verklaringen op. Het is de schuld van de grote monotheïstische religies met hun madonna-hoer complex, of van de constante staat van crisis waar we de laatste jaren in vertoeven en die ons doet verlangen naar een eenvoudiger, conservatiever tijdsgewricht. De opkomst van de smartphone, ook geen onbelangrijke, waardoor iedereen plots een gerechtigd paparazzo werd en ons lellend vlees met één enkele klik kon vastleggen op film, en zo voor eeuwig als chantagemateriaal kan worden benut. 

    Maar eigenlijk zijn dit allemaal drogredenen, die geen echte ‘daarom’ op een echte ‘waarom’ leveren. In die optiek was een artikel uit de Knack Weekend van 2013 onverwacht raak, maar niet op de manier hoe het was bedoeld. Het artikel noemde enkele redenen voor de teloorgang van de monokini, en stelde dat we niet langer hoeven te choqueren (!) met blote borsten omdat de vrouwelijke vrijheden intussen verworven en bestendigd zijn, en het statement van de monokini bijgevolg voorbijgestreefd. 

    Eerst iets over die premisse: de tijd bewijst ons jammerlijk dat vooruitgang en mensenrechten (vrouwenrechten dus ook) nooit een volbracht proces zijn, en dat ze wel degelijk kunnen worden teruggeschroefd wanneer we ze niet langer verdedigen, of ze voor lief nemen. Kijk maar naar de abortuswetgeving in Polen, zum Beispiel. Naast die foute vooronderstelling haalt Knack Weekend – bij mijn weten nochtans niet de woordvoerder van Kerk en Leven – een interessant punt aan: we ervaren blote borsten als choquerend. Waarom? 

    Het is uiteindelijk allemaal terug te brengen tot één ding: SEKS. 

    S.E.K.S 

    Ik kan mijn ‘childhood-anekdote’ nog verder uitbreiden. Zoals gezegd ben ik een kind van de jaren 90. Knipte ik de TV aan, dan werden er meer borsten en billen in mijn gezicht geslingerd dan dat Kim Clijsters er toentertijd kon wegkloppen met haar raket. De laatste jaren kwam er steeds meer commentaar op die doorgedreven seksuele voorstelling van vrouwen in de media, en terecht. Ik mis die zwaar pornografische en misogyne videoclips vol vleselijke ballonnen hoegenaamd niet. 

    Maar in plaats van de representatie van de vrouwelijke borst verder door te trekken voorbij het seksuele, voorbij het extreme, zijn we gemakkelijkheidshalve overgestapt op een verbanning van borsten in het algemeen. En het is precies deze ban die de status van borsten herbevestigt als genotsvoorwerpen, als seksobjecten die geen plaats hebben in het openbare leven.

    Ze zijn iets voor de privé-sfeer, iets om van te genieten. Dat terwijl ze evenzeer deel uitmaken van ons lichaam als pakweg een enkel of een oorlel. Voorgenoemde onderdelen hebben trouwens ook al tot stomende scènes tussen de lakens geleid, maar geen kat die deze gaat blurren op Instagram. 

    Natuurlijk zijn borsten een seksueel iets. Maar niet enkel en alleen. Een moeder die haar kind te eten geeft is geen seksuele daad. Op het strand liggen met ontblote bast zou dat evenmin moeten zijn, mannen liggen er per slot van rekening ook ontbloot. 

    Preutsheid en de self-fulfilling prophecy 

    Dus wat nu? T-shirt over de kop en #freethenipple? Meer initiatieven zoals Taboob, die via kunstige en listige foto’s toch proberen tepels op Instagram te krijgen? Super, maar dit alleen volstaat niet. 

    Het belangrijkste is dat we de visuele representatie van onze borsten gewoon terug normaliseren, dat we ze niet langer als schokeffect gebruiken. Dat we opnieuw rechtlijniger omgaan met ons lichaam, en niet enkel op vrouwendag naar de sauna gaan om nadien op sociale media ons recht op sensualiteit op te eisen. 

    Uiteindelijk choqueert iets maar wanneer je het zelden tot nooit ziet. Niemand die intussen nog opkijkt van een tattoo meer of minder. Zodoende werkt een doorgedreven preutsheid als self-fulfilling prophecy: hoe minder je iets tentoon spreidt, hoe minder je de – letterlijke – blootstelling eraan gewoon bent, en hoe extravaganter en choquerender naakt wordt. Het zijn uiteindelijk maar borsten, ze zijn even banaal en doorsnee als een staartbeentje. 

    Bon, genoeg geleuterd. U weet waar u mij kan vinden deze zomer, en in welke klederdracht.

    Over de schrijver: Eva De Gelder is redacteur bij Free.Brussels
    en auteur van het boek ‘Canis’.

  • Em. prof. Mark Elchardus (VUB): “Politiek gaat niet om pessimisme of optimisme”

    Elke maatschappelijke vooruitgang brengt nieuwe uitdagingen met zich mee. Er is geen opsomming van al het onheil in de wereld nodig om u hiervan te overtuigen. Een paar enkelingen onder ons hebben de gave om hun kop hiervoor in het zand te steken. Of ze schrijven deze bedreigingen vlotjes af als tijdelijke groeipijnen van de gewenste verandering. Hoewel ook het bovenhalen van uw innerlijke struisvogel onverantwoord is, kan een overhelling naar de andere kant op de hoe-gaat-het-nu-met-de-wereld schaal even schadelijk zijn. Die andere kant houdt er eerder een apocalyptische visie over de toekomst op na en wordt door velen van ons wel eens opgezocht.

    Er bestaat zelfs een term voor dit neergangsdenken waar we sneller dan gedacht in verstrengeld kunnen raken: het declinisme. Dit is een breed gedeelde gitzwarte toekomstvisie en blijft het voor veel mensen een gevoel waar ze, zonder het zelf te beseffen, mee rondlopen.

    De inzichten van socioloog Mark Elchardus (emeritus professor aan de VUB en auteur van het boek Voorbij het narratief van neergang, 2015) kunnen helpen om dit perspectief op de maatschappij te plaatsen en -al is het maar één tintje- minder zwart te maken. En dan hoofdzakelijk minder onherroepelijk.

    em. prof. dr.Mark Elchardus,© Ella Oelbrandt

    “Iemand die de bedreigingen duidelijk onderkent, is daarom nog geen doemdenker of een declinist.”

    De Europese burger als ideaal slachtoffer

    Om meteen een eerste misverstand rond het begrip ‘declinisme’ de wereld uit te helpen: het geloof is niet gebaseerd op een irrationele angst die het van mensen overneemt. Het declinisme is ook niet hetzelfde als het zich bewust zijn van de reële bedreigingen die er wel degelijk zijn.

    “Men wordt declinist”, zo zegt Elchardus, “als men denkt dat we machteloos staan ten opzichte van die bedreigingen. Als men gelooft dat we onafwendbaar naar neergang gaan, naar een verlies van alles wat ons dierbaar is. Een declinist die geen oplossing ziet is een doemdenker. Maar iemand die de bedreigingen duidelijk onderkent, is daarom nog geen doemdenker of een declinist.”

    Wat vaak opvalt bij diegenen die zo’n declinistisch wereldbeeld aanhangen, is dat ze hun eigen toekomst veel minder somber inschatten dan die van de samenleving. Deze kloof is volgens Elchardus een mogelijke katalysator voor zo’n wereldbeeld.

    “De bedreigingen worden scherper ervaren door mensen die vinden dat wij hier maatschappelijk iets zeer waardevols hebben opgebouwd. Mensen die de welvaart en het welzijn van Europa niet willen zien verloren gaan. Ze willen leven zoals in Europa en niet zoals in Afrika of het Midden-Oosten.” Als je wel wat te verliezen hebt, schiet het neergangsdenken dus sneller in gang als een soort geanticipeerde pijn.

    De dunne lijn tussen kritiek en fatalisme

    De oorzaak van de houding is het gevoel dat we samen, collectief niets meer kunnen doen. Het draait volgens Elchardus ook “om de overtuiging dat we via democratie en politiek geen grote uitdagingen meer aankunnen.” Kritiek hebben op een regering is gezond, maar wordt toxisch als het het discours van de eeuwige mislukkende overheid gaat volgen. Een populistische stem is dan nooit ver weg.   

    We baseren onze kijk op de maatschappelijke toekomst niet op hoe het met onszelf gesteld is. Maar waar komt dit doembeeld dan vandaan? Het is makkelijk om met de vinger naar de media te wijzen die het brengen van slecht nieuws dikwijls als selling point lijken te hanteren.

    Elchardus nuanceert dit. “Hoewel de media soms selectief zijn in welke bedreigingen zij belichten, vind ik niet dat zij die systematisch verhullen en op die manier onderdeel van het probleem zijn. Zij worden pas deel van het probleem als ze vertrouwen in de politiek ondergraven.”

    “Wat onze grote uitdagingen betreft blijken kiezers altijd een beetje vooruit te lopen op de elites en hun zogeheten experts.”

    Een politiek landschap dat pedagogisch durft te zijn

    Een automatische reflex om een negatieve blik te doen opklaren, is heil gaan zoeken in het (vooruitgangs)optimisme waar o.a. filosoof Maarten Boudry en politici als Gwendolyn Rutten vaak mee komen aanzetten.

    “Maar politiek gaat niet om optimisme of pessimisme”, meent Elchardus. “Het gaat erom dat politieke partijen de bedreigingen onderkennen en duidelijk voorstellen wat daar op verschillende bestuursniveaus aan kan worden gedaan. Wat onze grote uitdagingen betreft blijken kiezers altijd een beetje vooruit te lopen op de elites en hun zogeheten experts.”

    Steven Pinker, © Rose Lincoln /Harvard Staff Photographer

    Ook de tegenbeweging van Steven Pinker, dé pleitbezorger van de verlichtingswaarden, bekijkt Elchardus met enig scepticisme.

    “Ik vind dat Pinker wel een heel eenzijdige kijk heeft op de verlichting. De denkers van de verlichting geloofden zeker niet allemaal in de maakbaarheid van de samenleving.

    De Franse Revolutie was nog maar net achter de rug of liberalen en conservatieven in Europa verzetten zich met man en macht tegen de idee dat de samenleving maakbaar is.

    De verlichting heeft vooral geleid tot laissez faire, laissez passer. Dat lijkt me nu net een heel slechte manier om de grote hedendaagse uitdagingen aan te gaan.”

    Tegengewicht

    Declinisme een tegenwicht bieden gaat dus niet om bedreigingen te minimaliseren of te geloven in een onvermijdelijke vooruitgang. Ook de vraag of neergang van de wereld nu effectief is ingezet, is eigenlijk irrelevant. Is het antwoord op die vraag affirmatief?

    Dan is het nog steeds aan ons om de klik te maken en de wil te tonen om die neergang níét als onafwendbaar te beschouwen. Elchardus legt de verantwoordelijkheid om ons geloof in collectieve actie terug aan te sporen voor een groot stuk bij de politiek.

    “Grote uitdagingen aanpakken veronderstelt politiek en wat mij betreft dan liefst democratische politiek. Het komt er niet op aan de noodzakelijke en juiste dingen te doen. Het komt erop aan de noodzakelijke, juiste dingen te doen én de mensen mee te hebben. Anders kan je het vergeten.”

    Het probleem bij het verhaal van de neergang zit niet in het scheppen van een oneerlijk beeld van de status quo in de wereld. Het speelt zich eerder af tijdens de epiloog waar we de moed compleet schijnen te verliezen. Het is nu aan de politici om in hun figuurlijke pen te kruipen en er een nieuw, constructiever hoofdstuk aan te breien.

    Anders krijgen we een politiek gericht op het exploiteren van het gevoel van bedreiging zonder een oplossing of perspectief te bieden. Dat dat vaak iets minder constructief is met alle gevolgen van dien, daar heeft u eveneens geen opsomming voor nodig.

    Over de auteur: Jelena Van Wichelen
    is redacteur bij Free.Brussels.

  • #Stemrecht16: Is dat wel een goed idee? (opinie)

    # Stemrecht16, eindelijk!” staat in koeien van letters te lezen op de site van De Vlaamse Jeugdraad. Na jaren ijveren voor deze maatregel haalden ze ogenschijnlijk eindelijk hun slag binnen. In 2024 worden jongeren vanaf 16 jaar bezegeld met Europees stemrecht. Geen verplichting, maar wel de mogelijkheid om te stemmen. Groen en Open VLD claimen deze overwinning en profileren zichzelf hiermee als de vaandeldragers van de democratie. Maar Is deze maatregel wel een verrijking voor de democratie? 

    Het klimaat-verhaal

    De voorbije jaren deelde een talrijke groep jongeren volmondig bezorgdheden omtrent de klimaatproblematiek. Deze massa heeft niet alleen zijn politieke stem laten weerklinken maar toonde ook een volhardend maatschappelijk engagement. Vervolgens aanschouwden deze jongeren met lede ogen hoe al hun efforts in Vlaanderen tot weinig politieke verwezenlijkingen leidden.

    Bron: Vlaamse Jeugdraad

    Hoewel het Vlaamse beleid uiteindelijk instemde met de doelstelling van de EU om de broeikasgassen te verminderen tot onder de 55 procent, lijkt de Vlaamse ambitie hier rond ondermaats te zijn. Vlaams Minister van energie Zuhal Demir lijkt vooral op de proppen te komen met excuses voor het niet behalen van deze doelstellingen.

    Logischerwijs zet dit jongeren aan tot politieke desinteresse. Waarom zouden ze zich nog inzetten als men toch niet luistert? Het lijkt bijgevolg een positieve maatregel om min-16jarigen stemrecht aan te bieden. Op deze manier wordt hun politieke hartstocht van de laatste jaren niet over het hoofd gezien en hun maatschappelijk engagement geprezen. In deze zin is het een democratische maatregel; men geeft gehoor aan de jongere groepen in de bevolking en ze zetten de jeugd aan om zich politiek te engageren.

    Electorale motieven

    Toch moet er erkend worden dat de politieke implicaties van deze maatregel enorm voordelig zijn voor de partijen die er hun schouders onder plaatsten. Hoewel Open Vld en Groen zich hiermee zouden inzetten voor de democratie, lijkt dit vervroegde stemrecht in eerste instantie ingegeven te zijn door electorale motieven.

    Peilingen geven aan dat er erg veel enthousiasme voor Groen bestaat bij de jongeren. Dit verbaast niet gezien de talrijke klimaatmanifestaties van de voorbije jaren. In dit opzicht lijkt de keuze van deze maatregel vooral een slinkse strategie om nieuwe Groen-stemmen te sprokkelen. En dat onder het mom van democratisering. 

    Wat dan met onderwijs?

    Er bestaat geen exacte leeftijd waarop jongeren van de één op de andere dag matuur worden. Het breekpunt waarop een kind politiek geïnformeerd zou zijn, kan onmogelijk in een leeftijd worden uitgedrukt. Wel eigen aan 18 jaar zijn, is dat het geldt als richtleeftijd om het middelbaar onderwijs af te ronden. Dit kan wel doorgaan voor een gegronde regel om de kiesleeftijd op te baseren.

    Hoewel er een tamelijk groot onderscheid bestaat tussen verschillende vormen van middelbaar onderwijs, krijgen leerlingen in de loop van 6 of 7 jaar een resem vakken aangeboden waarmee ze hun eigen maatschappelijke positie leren kaderen.

    Ze leren zich kritisch opstellen ten opzichte van de informatie waarin ze zich dagelijks in onderdompelen, ze leren omgaan met de verschillende mediakanalen die hen aangereikt worden en maken kennis met een historische achtergrond om hun maatschappelijk denken te leren kaderen. Onderwijs is namelijk een wezenlijk deel van een democratie. Zonder dat men waarden, normen en gewoonten communiceert naar een nieuwe generatie burgers houdt een democratie immers onmogelijk stand.

    Democratisch burgerschap

    Volgens de filosoof en pedagoog John Dewey is de school de plaats waar verschillende generaties bijeenkomen en zich voorbereiden op het democratisch burgerschap. Hij beschouwde de school als een samenleving in het klein, een voorwaardelijk proces voor kinderen om lid van de samenleving te worden en de hierbij horende democratische rechten te verkrijgen. “Democratie moet in elke generatie opnieuw worden geboren en het onderwijs is haar vroedvrouw” schrijft Dewey in Democracy and Education. 

    Democratie moet in elke generatie opnieuw worden geboren en het onderwijs is haar vroedvrouw.

    -John Dewey

    Wanneer de kiesleeftijd vervroegd wordt, moet het onderwijs hier ook op afgestemd worden. Bij de vervroeging van der kiesleeftijd zouden jongeren eerder in aanraking moeten komen met burgerschapsopvoeding en democratische waarden. Wanneer het onderwijspakket niet wordt aangepast, lijkt deze maatregel de democratie eerder in gedrang te brengen dan te bevorderen.

    Het is namelijk de bedoeling dat kinderen eerst gevormd worden tot democratische burgers, vooraleer ze de maatschappij mee electoraal moeten dragen. Zonder deze vorming kunnen we moeilijk van jongeren verwachten dat ze belang hechten aan de waarden waar de samenleving op steunt. We kunnen pas verwachten van jongeren dat ze de democratie met hun stem verdedigen wanneer ze geleerd hebben om een democratische ingesteldheid te verwerven.

    De manier waarop TikTok wordt ingezet voor politieke doeleinden, lijkt de vorming van een maatschappelijk bewustzijn nauwelijks te bevorderen.

    De informatie-wildernis

    Hoe men om moet gaan met informatie op de verschillende mediakanalen, is voor jongeren allesbehalve evident. In de praktijk gebruiken veel 16-jarigen TikTok en Instagram om hun maatschappelijk bewustzijn op te krikken. In 2020 onderzocht Mediaraven samen met Mediawijs en imec-MICT-UGent, de media die jongeren gebruiken om mee te zijn met de actualiteit.

    Hieruit blijkt dat meer dan 75 procent hiervoor sociale media raadpleegt, terwijl maar 14,5 procent hiervoor de krant openslaat. Een dikke 50 procent beweert trouw te blijven aan het nieuws op de televisie, wat nog steeds een magere score is in vergelijking met de populariteit van sociale media.

    Niet alle sociale media lijken geschikt te zijn om politieke informatie over te dragen. De manier waarop TikTok wordt ingezet voor politieke doeleinden, lijkt de vorming van een maatschappelijk bewustzijn nauwelijks te bevorderen.

    Verschillende politici gebruiken dit medium vlijtig om aan populariteit te winnen bij een jonger publiek. Zo circuleren er verschillende filmpjes waarin ze, Billie Eilish ondersteunend, zo luid mogelijk hun keel open zetten. Uiteindelijk slaat hun boodschap op niet veel meer dan het bespotten van politieke tegenstanders.

    Het is een netwerk van reactiviteit, waarin jongeren vooral leren om het eens te zijn met het afkraken van een andere partij. In 60 seconden kan men dan ook moeilijk ingaan op de inhoudelijke punten waar een partij voorstaat. 

    Nog meer dan in het klassieke politieke discours, winnen politici hier stemmen met mopjes. Het getuigen van ‘niet-boomer-zijn’, het beheersen van de beste dansmoves en het uitkiezen van de hipste achtergrondmuziek. Zo verandert de politiek in een smaakloze rattenvanger-van-Hamelen-race. 

    Het begeleiden van burgers om het onderscheid te leren aanvoelen tussen dit soort spot-politiek en een inhoudelijk debat is essentieel. We zien dat het voor jongeren vandaag allesbehalve vanzelfsprekend is om dit op eigen houtje uit te zoeken. Is het niet de plicht van een beleid om net de weg te wijzen plaats van hen nog meer in de war te brengen met schreeuwerige Tiktok-video’s?

    Het verjongen van de kiesleeftijd, ontneemt de jongeren 2 jaar begeleiding vooraleer ze hun politieke voorkeur moeten uiten. Twee fundamentele jaren om de overstap te maken van TikTok naar mediakanalen waar er meer inhoudelijke discussies plaatsvinden. Wanneer er meer politieke stemmen binnengerijfd worden op basis van een TikTok-présence, kunnen we dan werkelijk spreken van extra democratisering? 

    Wanneer een  beleid het stemrecht wil vervroegen, moet zij er ook voor zorgen dat het onderwijs zich hier naar schikt

    Inhoud primeert

    Al worden er meer stemmen meegeteld en wordt er direct gehoor gegeven aan jongeren, kunnen we ons de vraag stellen of deze maatregel echt bijdraagt aan de democratie. 

    Mensen worden niet simpelweg geboren als burgers van een bepaalde maatschappij, ze worden hiernaar gevormd, door middel van een opleidingsproces. Burgers moet leren omgaan met de uitdagingen van sociale media, ze moeten de inhoudelijke content leren verkiezen en in contact gebracht worden met de democratische waarden die eigen zijn aan onze samenleving.

    Alleen door middel van deze opleiding kan de volgende generatie deze waarden omarmen en de democratie in leven houden. 

    Wanneer een  beleid het stemrecht wil vervroegen, moet zij er ook voor zorgen dat het onderwijs zich hier naar schikt. Als ze deze vervroeging invoert zonder een maatschappelijk kader te creëren waarin deze maatregel past, dreigen onze democratische waarden te vervagen.

    Dus vooraleer Open VLD en Groen zich inzetten voor een  aansluitend onderwijsprogramma, lijkt deze maatregel het belang van de democratie te doen wegebben.

    Over de auteur: Merlijn Beullens is redacteur bij Free.Brussels
  • Misandrie binnen feminisme: mogen we nog kwaad zijn? (OPINIE)

    Dit opiniestuk is een antwoord op het artikel ‘Kunnen witte mannen nog iets goed doen?’. Daarin wordt een lans gebroken voor witte heteroseksuele mannen die het tegenwoordig zwaar te verduren hebben omwille van man-bashing. Als een medefeminist het heeft over hysterie in een klein gehucht weg van de redelijkheid, haalt Nina Poels als heks met plezier haar bezemsteel nog eens uit de kast.

    Een zelfverklaarde feminist herkent waarschijnlijk de volgende situatie: je vertelt iets over jouw standpunt over gendergelijkheid. Waarschijnlijk in de trend van “Waarom duurt het zo verdomd lang voor die gelijkheid er is?”. Waarop je de vraag gesteld krijgt of je toch geen haatdragende feminist bent? “Nee hoor”, antwoord je dan glimlachend.

    Je doet een poging om het gesprek luchtiger te maken door jezelf te distantiëren van de bh-brandende extremisten en benadrukt dat je natuurlijk niet echt mannen haat. Maar wat als haat jegens mannen, oftewel misandrie, het pepmiddel is dat sommige feministen al jaren – correctie: eeuwen – wakker houdt? 

    “Door mannen te haten, doe je niets verkeerd”, schrijft de Franse Pauline Hermange in haar manifest met de uitdagende titel Moi les hommes, je les déteste. Dit doet ze zonder ironie en zonder glimlach. Een statement dat veel stof doet opwaaien, vooral nadat regeringsadviseurs het boek probeerden te verbieden omdat aanzetten tot haat een misdrijf is.

    Dat is niet gelukt, waardoor het manifest na die aandacht in tienduizendvoud werd gedrukt.  Zijn vrouwen het niet beu om te blijven glimlachen en hun woede te ironiseren? Ik vind het alvast vermoeiend. Steken we als vrouwen niet beter onze tijd en energie in het smeden van productieve vrouwelijke allianties? 

    Moet misandrie – net als misogynie – in de wet? 

    In essentie betekenen misandrie en misogynie hetzelfde, behalve dat het eerste begrip betrekking heeft op mannen en het tweede op vrouwen. Het duidt op de ziekelijke afkeer voor in dit geval een specifiek geslacht en komt van het Grieks misein (haten). In de collectieve verbeelding zouden misogynie en misandrie twee vormen van seksisme zijn en dus gelijk aan elkaar.

    De reden waarom dit niet het geval is, is om de simpele reden dat de ene slechts bestaat als reactie op de andere. Zonder de systematische onderdrukking van vrouwen te willen herleiden tot een kinderachtig vingergewijs, moet ik toch het volgende duidelijk maken: misandrie zou niet bestaan, moest misogynie niet eerst hebben bestaan. 

    En toch rijst, om de zoveel jaar, de vraag of misandrie niet – naast misogynie – in de wet hoort opgenomen te worden, aangezien het ook een vorm van haat is. Semantisch kan dit kloppen, maar de realiteit toont ons iets anders . Zolang niet kan worden beweerd dat mannen in het algemeen onderworpen zijn aan structurele ongelijkheden die discriminatie of geweld mogelijk maken en dat bijgevolg sommige mannen het slachtoffer zijn van haat tegen hun geslacht – in tegenstelling tot hun persoon – beschikt mannenhaat niet over een wettelijk kader. 

    Het sop is de kool niet waard

    Hermange stelt dat de reden waarom woede en geweld hier verward worden, is “omdat de geschiedenis ons toont dat ze in een wereld gedomineerd door mannen vaak onafscheidelijke vrienden waren.” Maar de woede die een vrouw ervaart wanneer ze systematisch als de tweede sekse behandeld wordt, gaat zelden hand in hand met geweld. 

    Het gewelddadigste dat vrouwen ooit gedaan hebben om hun ongenoegen ten aanzien van mannen in het algemeen te betonen – en dit zegt meer over mannen, dan over vrouwen – is collectief elke vorm van penetratie afwijzen. Zoals in de jaren ’70 toen Adrienne Rich opriep tot Political Lesbianism en feministen wereldwijd besloten dat het sop de kool niet langer waard was.”

    “Men are afraid that women will laugh at them. Women are afraid that men will kill them.” – Margaret Atwood

    Margaret Atwood sprak deze woorden uit tijdens een van haar lezingen in 1982, maar ook vandaag merken we op dat de angst om uitgelachen te worden een welbekende reactie is van mannen in ‘post-#MeToo’ tijden. Mannen – maar blijkbaar ook vrouwen – vragen zich af wat mannen dan wel nog mogen doen? 

    Welke mopjes mogen mannen wél nog maken? Alsof vrouwen die niet lachen, geen gevoel voor humor hebben. Ten slotte, de meest afgezaagde retorische vraag: hoe mogen mannen wel nog flirten? Ik geef Hermange gelijk wanneer ze zegt dat het moeilijk is om veel empathie te hebben voor dergelijke existentiële angsten wanneer sommige vrouwen dagelijks geconfronteerd worden met angsten voor verkrachting en moord.

    Bovendien veranderde  ‘Je mag niets meer zeggen’ onlangs in de seduisante uitspraak ‘De slinger slaat door’. Het gevoel hebben dat de #MeToo-slinger soms te ver doorslaat, is geen reden om de politieke woede die feministen soms voelen van tafel te vegen als inhoudsloze blabla. 

    Van heksenjachten tot lynchpartijen

    Ooit werden vrouwen levend verbrand omwille van hun listige seksualiteit waarmee ze mannen zouden betoveren en overmeesteren. Heksen zijn voor sommigen vandaag vooral op Twitter terug te vinden. Ze manifesteren zich via de hashtag #MeToo en samen ruïneren ze de carrières van machtige mannen. Ze eindigen het ritueel met een mediagenieke lynchpartij terwijl andere popcorn-etende feministen gretig toekijken. 

    Vrouwen, die voor één keer in de geschiedenis meer macht in handen hebben, worden vandaag vaak afgebeeld als hysterische heksen. Doorgeslagen slingers en mediageile lynchpartijen hebben echter geen oorsprong bij boze feministen. Wel bij anonieme Twitteraars, hongerige columnisten en doorgedraaide nieuwsstromen die vergaard en terug uitgekotst worden op sociale media.

    En ik begrijp het, er is veel verandering op korte tijd. Ik had de uitspraak ‘mijn vrouwtje staan’ in plaats van ‘mijn mannetje staan’ nog maar net onder knie, toen ik te horen kreeg dat dit geen inclusief taalgebruik is en daarentegen beter de genderneutrale uitspraak ‘sterk in mijn schoenen staan’ hanteer. 

    Het mag naar mijn mening ook eens over iets anders gaan, dan over politiek correcte woke uitspraken. Maar de nieuwe cancel culture die mensen verbant omdat ze door een gebrek aan kennis of opvoeding een foute uitspraak hebben gemaakt, is een symptoom van toxische sensatiezuigende sociale media. Niet van boze feministen.

    Want als er één ding is wat feministen hebben, dan is het geduld. Héél veel geduld. Dat hebben ze ondertussen wel bewezen. Ze wachten  tot het allemaal net iets beter wordt. En ja, ondertussen zijn ze al eens boos. Could you blame them?

    Maar de nieuwe ‘cancel culture’ die mensen verbant omdat ze door een gebrek aan kennis of opvoeding een foute uitspraak hebben gemaakt, is een symptoom van toxische sensatiezuigende sociale media. Niet van boze feministen.

    Het is niet de eerste keer dat feministen vergeleken worden met  hysterische heksen  die onverklaarbare woedeaanvallen hebben. Een karikatuur maken van een emancipatiebeweging is een mechanisme om de aanhangers daarvan het zwijgen op te leggen. Elke feministische golf heeft deze aantijgingen gekend. #MeToo is geen uitzondering. 

    Maar emancipatie zal niet komen van relletjes op sociale media. Wel door de hardnekkige devotie van activisten, denkers en doeners die hun energie af en toe halen uit haat, woede en frustratie. 

    Hebben we mannen nodig in onze strijd? Ja 

    Naast het verwijt dat feministen de aanstokers zijn van angstgevoelens bij mannen die niet meer weten wat ze nog mogen doen of zeggen, wordt feministen bovendien geadviseerd minder boos te zijn op mannen. We hebben ze nodig, klinkt het dan. Zo roept columniste Heleen Debruyne op, na het lezen van Hermange’s manifest,  om lief te zijn voor onze mannen “omdat ook zij tere gevoelens hebben”. 

    Voor de zoveelste keer stel ik mezelf de vraag of vrouwen überhaupt mannen nodig hebben om zich te emanciperen?

    De Franse Hermange beargumenteert dat mannen onnodig zijn en stelt dat het afmattend is om mannen de vruchten te zien plukken in ruil voor hun microscopische inspanningen. Vermoeiend is het zeker, daarover ben ik het met haar eens. Maar mannen enkel afschilderen als tegenspartelende vijanden lijkt mij geen productieve strategie.

    Ze horen daarentegen medestanders te zijn in de strijd tegen vastgeroeste patronen die hun tere gevoelens onderdrukken.  Ik geloof daarom wél dat mannen een noodzakelijke hulp zijn in het verzet, maar dat we voorwaarden moeten durven stellen. 

    Ik geloof daarom wél dat mannen een noodzakelijke hulp zijn in het verzet, maar dat we voorwaarden moeten durven stellen. 

    Ten eerste moeten ze hun eigen tranen drogen wanneer ze gediskwalificeerd worden omdat ze gedrag vertonen dat te veel grenzen overschrijdt. Ten tweede: verwacht als man geen schouderklopje telkens je iets doet dat wijst op een licht feministisch inzicht. Of zoek die erkenning bij een vriend en draag op die manier bij aan het ondergraven van toxic masculinity. Ten derde: laat sommige feministen verdomme boos, woedend en soms misschien zelfs haatdragend zijn. 

    Feminisme moet over mannelijke onderdrukkers als een generaliserende groep durven blijven praten, anders riskeert het opnieuw eenzaamheid te creëren bij vrouwen die in een precaire situatie zitten. Hoe zijn we erachter gekomen dat catcalling een structureel probleem is?

    Niet door te zeggen ‘Nee, maar niet alle mannen hoor. Enkel hij.’ Door enkel in te zoomen op de rotte appels, misken je het grote verhaal: het verhaal over het kapitalistische, patriarchale en seksistische systeem dat deze onsmakelijke figuren al decennia lang creëert, in stand houdt en beloont. 

    Feminisme heeft al vaker de misstap gezet om een vergeten groep vrouwen te onderdrukken. We moeten oppassen dat we die fout niet opnieuw maken. Al helemaal niet omdat we mannen bij de strijd voor gendergelijkheid willen betrekken en als compromis onze radicaliteit aan de kant schuiven. 

    Als feministen hebben we de taak tegen schenen te schoppen en op lange tenen te trappen. Tevredenheid is de bijl aan de wortel van het verzet. We mogen naar mijn mening gerust een pak radicaler zijn. We hebben tenslotte genoeg redenen om boos te zijn.

    Ik eindig graag met deze inspirerende woorden van Marguerite Duras. 

    “Il faut beaucoup aimer les hommes. Beaucoup, beaucoup. Beaucoup les aimer pour les aimer. Sans cela, ce n’est pas possible, on ne peut pas les supporter.”

    Over de auteur: Nina Poels is redacteur bij Free.Brussels
    en studeert de master Gender & Diversiteit.
  • Deelauto’s in Brussel: trend of troef?

    Het zal je misschien verrassen, maar dure frigo’s en wasmachines kopen wordt stilaan passé. In de zich ontluikende deeleconomie zullen individuen en gezinnen steeds minder bezitten en meer huren of delen. Ook de traditionele gezinswagen – ooit symbool voor de bloeiende naoorlogse economie van het Westen – maakt plaats voor de deelauto. De deeleconomie heeft heel wat in haar mars, want zeg nu zelf: waarom een kostelijke auto kopen als je gemakkelijk een auto kunt huren wanneer het je past? Wat betekent dit allemaal voor hoe we zullen leven, staan we aan de vooravond van een revolutie in de consumptiemaatschappij?

    Wibee, Cambio en Poppy zijn geen exotische begrippen meer die enkel gekend zijn door een handvol hippies. De verschillende online platformen zijn voor steeds meer bestuurders een praktische en voordelige mobiliteitsoplossing.

    Er zijn meerdere redenen om aan autodelen te doen. Of je nu iemand bent die zich ergert aan dat je de stad door de auto’s niet meer ziet of je bent gedreven om je ecologische voetafdruk te verkleinen: autodelen kan een antwoord zijn voor verschillende maatschappelijke en ecologische problemen. Minder auto’s, minder files, minder CO2-uitstoot en bovendien geen stress meer om je auto ergens kwijt te geraken omdat autodeeldiensten vaak met vaste parkeerplaatsen werken.

    Cambiowagen, © Alvaro Avelar

    De voordelen van deze veelal recente initiatieven bereiken een steeds groter publiek en dat is duidelijk te zien aan het stijgend aantal autodelers in België. Laat ons even de motor opwarmen met enkele opmerkelijke cijfers uit het recent jaarrapport van Autodelen.net. Dit rapport toont aan dat, ondanks de coronacrisis het aantal autodelers met 30 procent is toegenomen in 2020. Dat is helemaal niet mis, België telde maar liefst 150.000 autodelers in het begin van het jaar 2021. 

    In de autodeelrace is Vlaanderen momenteel koploper, met zo’n 82.000 autodelers, terwijl Wallonië achterop hinkt met ruim 6.600 bestuurders. Toch is het vooral uitkijken naar de demarrage in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waar er begin 2021 ongeveer 60.000 autodelers werden geteld. 

    Toch is het vooral uitkijken naar de demarrage in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waar een stijging plaatsvond van 40 procent tot bijna 60.000.

    BRUSSEL: VOOR ELKE AUTODELER WAT WILS

    Brussel zet duidelijk sterk in op een steeds groter wordend aanbod aan deelwagens. Brusselaars hebben een ruime keuze tussen verschillende diensten : zowel Cambio, Cozywheels, Dégage, Poppy, Wibee, Getaround en recent ook GreenMobility zijn in onze hoofdstad actief. 

    Voor ieder wat wils, want deze initiatieven bieden verschillende formules aan. Cambio en Wibee creëerden een systeem waarbij de auto op dezelfde locatie moet teruggebracht worden. Bij Poppy daarentegen kan je de auto ook ergens anders achterlaten. Cozywheels, Dégage en Getaround structureerden hun organisatie dan weer rond het delen van de eigen auto. Zo kan je je auto delen met buren, vrienden of kennissen of zelf gebruik maken van iemand anders zijn privéwagen.

    Dat er zoveel verschillende spelers op de Brusselse markt dienst doen, had je waarschijnlijk niet verwacht. Het zijn vooral de rood-witte Citroën C4 Cactussen die je in het straatbeeld ziet. Cambio is dan ook de grootste operator van autodelen in België. Momenteel registreerden zich al meer dan 47.000 leden zich op het platform, waarvan ongeveer 15.000 voor professionele doeleinden.

    Cambio toont dat autodelen dus ook in de bedrijfscultuur een rol kan spelen in de toekomst. Cambio investeerde de voorbije jaren reeds in 200 verschillende autostandplaatsen in regio Brussel en plant in de toekomst nog verder uit te breiden. In maart 2021 kwam daar nog recent de standplaats ‘Marie-José’ bij in Elsene. 

    Cambio investeerde de voorbije jaren reeds in 200 verschillende autostandplaatsen in regio Brussel en plant in de toekomst nog verder uit te breiden.

    Bovendien ondergingen de deelwagens een ecologische metamorfose in ons land. Volgens Autodelen.net is in Vlaanderen nu één op de vier deelwagens elektrisch, een trend die voorlopig wel nog niet is doorgetrokken in Brussel. In de hoofdstad rijden er nog maar 50 elektrische deelwagens rond, wat slechts 4% uitmaakt van het totale deelwagenpark. 

    SHARING IS CARING

    Autodelen past helemaal in het zonnige straatje van de bloeiende deeleconomie. Onder het motto sharing is caring delen we niet meer ons gereedschap of onze kennis enkel met ons gezin of buren, maar ook met mensen waarmee we digitaal verbonden zijn. Door de opkomst van het internet krijg je de kans helemaal wild te worden van een leuk huisje in de Limburg en die voor een weekje te ruilen met je eigen woning. Dit soort uitwisselingen lopen steeds goedkoper en efficiënter.

    Ook milieuoverwegingen en het verlangen bij de huidige generatie om niet iets te ‘bezitten’, maar vooral te ‘beleven’ zijn factoren die de deeleconomie tot een geschikte partner maken.

    © Alvaro Avelar

    Bovendien liggen naast de digitalisatie ook nog andere tendensen aan de basis van het succes van de deeleconomie, volgens een publicatie van de Nationale Bank van België. Een daarvan is de verstedelijking in ons land. Het bezit van een wagen en de bijhorende parkeerproblemen kunnen makkelijk vermeden worden via de verschillende aanbieders van autodelen. Ook milieuoverwegingen en het verlangen bij de huidige generatie om niet iets te ‘bezitten’, maar vooral te ‘beleven’ zijn factoren die de deeleconomie tot een geschikte partner maken.

    En tenslotte mogen ook de financiële motieven niet genegeerd worden. Delen is vooral ook een manier om geld te besparen of ook te verdienen. In 2018 is de omzet van de deeleconomie in België op 2 miljard euro geschat, waarvan 20% afkomstig uit het delen van vervoer. Een percentage dat enkel maar zal toenemen door de stijgende populariteit van het autodelen.

    Het ziet er dus naar uit dat we in de toekomst minder belang zullen hechten aan het bezitten van auto’s, en dat is niet evident, want autorijden en auto’s bezitten is lang belangrijk geweest in onze cultuur. De groeiende deeleconomie is goed nieuws voor de klimaatproblematiek, de volksgezondheid en de monsterfiles in grootsteden. Het is nog maar de vraag hoe het autodeelverhaal zich nog verder zal ontwikkelen.

    Over de auteur: Charlotte Lippens
    is redacteur bij Free.Brussels.