Henry is opgegroeid in Brussel, net zoals zijn vrienden uit het dj collectief ‘Echte Ra’, maar hij is nu ook beheerder van een groeiende WhatsApp-community ‘Where is Henry?’. Zijn tips over het nachtleven in Brussel en the places to be voor het weekend, deelt hij wekelijks via een pdf in de chatgroep. Henry maakte bewust geen Facebook-pagina die het algoritme moet aanvechten, maar een kleine WhatsApp met vrienden en kennissen om hen gemakkelijk op de hoogte houden over leuke feestjes. Al snel begonnen vrienden van vrienden elkaar uit te nodigen en nu telt de groep meer dan 600 man, and counting.
“Het Brusselse nachtleven is groot voor een relatief kleine stad. In plaats van verspreid op feestlocaties te belanden met vrienden, is het leuk om een kleine community te creëren en meer onbekende feestjes te ontdekken”, volgens Henry. Deze omgevingen zorgen voor de juiste atmosfeer en een groepsgevoel waar je je veilig voelt. Als dj is het belangrijk om te connecteren met mensen: “als ik op het einde van de avond lachende gezichten zie en het publiek wil niet stoppen met dansen, dan geeft dat enorm veel energie”.
Alle tips van Henry voor dit weekend:
💃VENDREDI 21-04🕺🏾
Tipi! ⟁ OPENING SEASON 3 @ La Guinguette des Etangs Anderlecht
Henry is nog maar een jaar dj, maar volgens hem zorgt muziek mixen met zijn beste maten voor een goede omgeving om snel in te groeien. Brussel biedt enorm veel inspiratie en Henry volgt ook veel andere dj-collectieven op sociale media om uit hun video’s te leren. “Een tip voor jonge dj’s, is om niet altijd iets te willen heruitvinden, er is al zoveel moois gemaakt waar je je eigen ding mee kan doen en experimenteren”.
Collectief Echte Ra (‘ra’ = een Brussels woord voor melancholie blijkbaar), kreeg hun eerste kansen tijdens de Speak Easy sessions in KFK Hope als artist in residence. Ze hebben hun momentum niet gemist, want na de pandemie was er grote nood om te connecteren met elkaar. Dit nemen ze mee in hun sound binnen house en techno, altijd met goede grooves en good vibes. Na wat huisfeestjes, spelen ze nu op uiteenlopende plaatsen in Brussel.
Ontdek collectief Echte Ra op:
22/04 @ Maison du Peuple
22/04 @ La Poissonerie
28/04 @ café Flora
06/05 @ KnoP
18/05 @ ABŸ
27/05 @ Bar du Marché
02/06 @ L’impasse
Thx Henry Baboy.
Tekst & foto’s door Lauren Wouters
Lauren Wouters is fotograaf en videomaker bij Free.Brussels
Op donderdag 30 maart was ik te gast bij een Iftar, de maaltijd na zonsondergang tijdens de Ramadan. Als niet-moslims kennen we de Ramadan voornamelijk als een periode van vasten, waarbij men niet mag eten en drinken zolang de zon schijnt. De Ramadan is echter meer dan enkel vasten, het is een periode van samenhorigheid en verbinding. De Iftar maaltijd wordt niet enkel gedeeld met familie en vrienden maar ook met de gemeenschap. Het gemeenschapscentrum Nekkersdal organiseerde dan ook een gezamenlijke Iftar waarop zowel moslims als niet-moslims welkom waren. Voor mij was dit een leerrijke en sfeervolle ervaring.
In Brussel, met zijn omvangrijke moslimgemeenschap, is de Ramadan een druk gevierde periode. De stad begint hier dan ook meer en meer aandacht aan te besteden. Zo was laatst nog in de media dat veel cultuurhuizen nu een Ramadan vriendelijk aanbod bieden tijdens de vastenmaand. Daarnaast organiseren vele jeugd-, cultuur- en sociale verenigingen ook publieke Iftars, voor zowel moslims als niet-moslims. Zo dus ook het gemeenschapscentrum GC Nekkersdal. De maaltijd is volledig gratis, al is inschrijven wel verplicht. Zelf was ik al lang nieuwsgierig naar deze traditie dus toen een vriend vroeg of ik zin had om mee deel te nemen, aarzelde ik geen seconde.
Het hoeft niet altijd een publiek evenement te zijn zoals nu, maar de maaltijd is wel altijd bijzonder en hoort gedeeld te worden met anderen.
Harira en dadels
Rond acht uur zijn we welkom in het gemeenschapscentrum. Hoewel ik zelf niet vast en dus normaal heb gegeten die dag, heb ik alvast een lichte honger. Er staan al gerechten klaar wanneer we aan tafel gaan, maar Qutayba, een jongeman die ook voor het gemeenschapscentrum werkt, komt ons vertellen dat we eigenlijk nog niet mogen eten. Pas om kwart over acht, wanneer de zon definitief onder is, begint het gebed en mag er worden gegeten. Moeilijk want het eten dat op tafel staat ziet er alvast verrukkelijk uit. Harira, een pittige maaltijdsoep met linzen en kikkererwten, mag blijkbaar niet ontbreken aan de Iftar maaltijd. Daarnaast staat er ook een kommetje met dadels en een zoet gebakje. De dadel moet blijkbaar als eerste worden gegeten, om het vasten te verbreken. Deze regel komt rechtstreeks uit de Soenna, waarbij de profeet Mohammed elke ochtend dadels at en een glas melk om de honger te onderdrukken. Het is ook niet onlogisch gezien de dadel rijk is aan vezels en suikers en dus goed is om het lichaam een boost te geven.
Het gebed begint. Qutayba is diegene die het gebed inzet voor de hele zaal en wij beginnen met eten. Ondertussen worden er nog extra gerechten op tafel gezet, zoals Batbot (een soort Marokkaans platbrood), olijven, gevulde bladerdeegpasteitjes, een pikant groen sapje, kip en gebakken patatjes. De gerechten zijn voornamelijk Marokkaans maar er zitten ook een aantal Pakistaanse gerechten tussen. De vrouwen die het eten hebben gemaakt werken voor het gemeenschapscentrum of hebben als vrijwilliger meegeholpen. Ze hebben een hele dag gewerkt aan deze feestmaaltijd.
Het samen koken hoort bij de Ramadan en is een leuke sociale activiteit. De vrouwen babbelen en lachen samen en het koken leidt ook af van het vasten.
Tijdens de maaltijd halen een paar vrouwen plots muziekinstrumenten tevoorschijn. Marokkaanse slaginstrumenten waaronder de adjun en de darboeka. Er wordt vrolijk getrommeld en gezongen. Op een bepaald moment schuiven ze ook een darboeka in mijn handen. Dat ik geen enkele trommel ervaring (of gevoel voor ritme) heb, hindert niet. ‘Speel maar en wij volgen wel!’ En zo maakte ook ik even deel uit van deze Maghrebijnse jamsessie
Samen koken en afwassen
Er wordt nog rondgegaan met dessert, fruit en koekjes en dan beginnen de meesten langzaam te vertrekken. Morgen is tenslotte een gewone werkdag en men kan het niet elke Iftar zo laat maken. Wij bieden aan om mee te helpen met de opkuis. Een kleine wederdienst voor de heerlijke maaltijd en tegelijk een kans om nog een praatje te maken met de vrijwilligers, zoals Sarah. Haar moeder werkt in het gemeenschapscentrum en samen hebben ze de hele dag geholpen met het voorbereiden van de maaltijd, maar dat doet Sarah met plezier. Het samen koken hoort bij de Ramadan en brengt mensen dichter bij elkaar. De vrouwen babbelen en lachen samen en het koken leidt ook af van het vasten. Ik vraag aan Sarah of elke Iftar zo feestelijk is als vanavond. ‘Het hoeft niet altijd een publiek evenement te zijn zoals nu,’ antwoordt ze, ‘maar de maaltijd is wel altijd bijzonder en hoort gedeeld te worden met anderen. De eerste week viert men de Iftar vaak gewoon met vrienden en familie maar daarna is het ook de bedoeling dat je gasten uitnodigt, waaronder ook niet-moslims. De Ramadan staat in teken van samenhorigheid en vrijgevigheid. ‘Moet je tijdens de Ramadan ook aan liefdadigheid doen?’ vraag ik. ‘Dat moet je als moslim eigenlijk het hele jaar door doen,’ antwoordt Sarah, ‘maar veel mensen doen dat wel voornamelijk tijdens de Ramadan’.
Ik vraag haar wat ze zelf het leukste vindt aan de Ramadan. ‘De sfeer,’ antwoordt ze onmiddellijk, ‘Het samen zijn met mensen alsook de muziek en het samen zingen.’ De zomer vindt ze gek genoeg de leukste periode om de Ramadan te houden, al is dat ook het zwaarste. ‘Dan zit men tot laat in de avond buiten. Ik heb mijn beste herinneringen aan de Ramadan toen die in de zomer viel.’.
Weetjes over de Ramadan
– Het is de negende maand van de Islamitische maandkalender. – De Ramadan vindt elk jaar vroeger plaats omdat deze maandkalender niet helemaal overeenstemt met onze jaarkalender. – De Ramadan is een periode van bezinning, discipline en zelfbeheersing, waarin extra aandacht wordt geschonken aan vrijgevigheid en samenhorigheid – Zieken, zwangere personen, personen die hun maandstonden hebben, kleine kinderen… worden vrijgesteld van het vasten. De gezondheid staat altijd op de eerste plaats. – Het vasten gebeurt vanaf fajr (ruim voor zonsopgang) en duurt tot maghrib (zonsondergang). – Moslims die in de poolgebieden verblijven, kunnen zich als ze willen baseren op de tijden in Mekka.
De Post Malone van Brussel, beter bekend als Tono, is een 19-jarige singer-songwriter uit Overijse. Van jongs af aan hield Tono van muziek. Hij begon als rapper aan zijn carrière en doet nu een combinatie van rap en popmuziek. Het is een veelzijdige artiest. Zo hoor je hem bijvoorbeeld rappen in het Russisch in zijn liedje ‘Tarantula’. Wil je graag meer te weten komen over Tono? Bekijk dan hierboven het volledige interview!
Yéline Lee is redacteur en videograaf bij Free.Brussels
In 2022 stond november, de maand waarin de Nationale Vrouwendag op de 11e valt, niet toevallig op dezelfde dag als Wapenstilstand (nee hoor, 8 maart is de Internationale Vrouwendag), sterk in het kader van gender en geweld. Tijdens de eerste week nam ik deel aan het initiatief Walk in a Girl’s Shoes, een stadswandeling door het centrum van Brussel die de interacties tussen urban planning en gender aan het licht wil brengen, georganiseerd door Urban Foxes, Kind en Samenleving en Academy for Urban Action (AUA). De combinatie van de discussies op deze stadswandeling en het project Poésie Masculine, een simulatie van hoe het voelt om op straat te worden nagefloten door mannen, wierp licht op mijn inzicht op gendergerelateerd geweld. Vanuit een mannelijk perspectief deed het mij reflecteren over enkele lessen, die andere mannen moeten en hopelijk ook kunnen leren.
Walk in a Girl’s Shoes
Na een pakkende bevraging van de organisatoren aan alle wandelaars over veiligheidsgevoel ‘s nachts op het vertrekpunt Muntplein, nam de wandeling ons mee naar een aantal plekjes in het hart van Brussel. Onze eerste halte: het Simone de Beauvoirpark.
Terwijl achter ons een spel voetbal onder jongens werd gespeeld, werd het grootste discussiepunt onder ons wandelaars: hoe gatekeeping – het ontzeggen van toegang tot een sociaal veld of activiteit, door mensen die wel al toegang hebben – in zogenoemde jongenssporten zoals voetbal te voorkomen onder kinderen; met antwoorden die varieerden van professionele bemiddelaars tot plakkaten die seksisme aankaarten. Dat deze discussie gevoerd moest worden in het park vernoemd naar één van de invloedrijkste feministische auteurs (waarvan de vrouwelijke medewandelaars zeiden dat ze er liever omheen wandelen tijdens het donker dan erdoor), gaf een pijnlijk gevoel van ironie.
Eens de discussie afgerond was, liepen we verder, naar het Anneessensplein. Dit deden we via de Maagdenstraat, waar de stoep zo claustrofobisch nauw was dat je er niet met twee naast elkaar op kon wandelen zonder samengeperst te worden tegen ofwel een muur ofwel een geparkeerde auto. Op het Anneessensplein ging de discussie zo lang verder dat de wandeling werd stopgezet nog voor we de andere bestemmingen konden bereiken.
Al bij al, ondanks het aangenaam gezelschap, liet Walk in a Girl’s Shoes me enigszins teleurgesteld na; ik hoopte over meer onderwerpen discussie te horen en bij te leren dan veiligheidsgevoel ‘s nachts. Als jij, als lezer, een man bent en al met vrouwen in gesprek bent gegaan over dit onderwerp, dan lijken zulke dingen vaak eenvoudig. De waarheid bleek dat ik simpelweg meer nodig had om die belangrijkste les in te zien.
Meisjes kwamen buiten met tranen in hun ogen. Jongens vroegen gechoqueerd, “Is dit echt normaal voor jullie?”
Twee weken later bezocht ik het interactief kunstproject Poésie Masculine. In het stadhuis van Sint-Gillis werd ik een donkere tunnel van gordijnen ingeleid, met aan beide kanten blanco canvas schermen. Op de schermen verschenen twee rijen mannenfiguren, elk met hun ogen naar mij toe. Elke man die ik voorbij wandelde bewoog met mij mee, van grijnzen en stiekem foto’s trekken naar openlijk staren met een hand op hun erectie.
Na een paar minuten veranderde de projectie naar iets veel storenders: massa’s gesloten oogleden, die enkel met mijn passage opengetrokken werden. Of het gevoel van een lage bas in mijn buik uit een luidspreker kwam of uit mijn eigen verbeelding, zal ik nooit zeker weten. Eens de ogen eindelijk verdwenen, kwam er in de plaats een veld witte haren, waarin zich een gezicht vormde dat mij in de tunnel op en neer volgde; soms aan mijn linkerzijde, soms aan mijn rechterzijde, soms allebei, waardoor ik de hele tijd om me heen moest kijken. In een lage, opgegeilde stem zei het gezicht hoe opwindend mijn geur was en vroeg het waar ik naartoe ging. Toen het gezicht eindelijk verdween, was ik omringd door uitgestoken armen, die afwisselend mij naar hen toe riepen, of mij de de middelvinger te geven wanneer ik niet deed wat ze wouden.
Het spreekwoordelijk licht aan het eind van de tunnel kwam er toen alle schermen verduisterd werden en een vrouwenstem in het Frans weerklonk. “Ik ben. Ik ben. Ik ben,” zei ze, en werd vanaf daar luider en luider op het ritme van een akelig deuntje, terwijl verschillende gezichtsportretten van vrouwen over de hele tunnel rondflitsten). “Ik ben je moeder. Ik ben je zus. Ik ben je vriendin! Ik ben je kutje! Ik ben je trut! Ik ben je ma! Ik ben je zus! Ik ben je nicht! Ik ben je wijf!”
Alles werd terug donker en de vrouwenstem kon enkel nog hijgen en één keer “Hou op” zeggen.
Het gordijn opende aan de andere kant van de tunnel en ik kreeg de kans te praten met Gilles de Boncourt, één van de kunstenaars die het project samenstelden. Hij legde uit dat dit hun eerste keer echt op tour met het project was en dat het een groot succes schijnt te zijn in België, met veel interesse voor een bezoek bij de stad Gent (waarvoor stemacteurs volgens de Boncourt al klaar staan). Het project schijnt echter het sterkst te resoneren met scholieren. “Wanneer een grote groep jongeren binnenkomt,” aldus Gilles, “komen ze nooit hetzelfde buiten.”. Meisjes die vaak huilen, jongens die in shock vragen of echt elk meisje dit gevoel kent en daarop het antwoord ‘Ja’ kregen.”
Not all men. Just enough.
Het vergde een aantal dagen piekeren over deze ervaringen en later ook over het nieuws van de partner- en dubbele kindermoord in Waardamme, evenals de Club Q aanslag in Colorado, vooraleer de pertinente les kon doordringen die ik, als cishetero man, kon en moest inzien.
Het was een les die feitelijk verborgen ligt onder de lijfspreuk van veel mannen die met zulke realiteiten worden geconfronteerd: “Ik ben niet zo en mijn vrienden ook niet.” Wat veel mannen die dit zeggen niet inzien is dat beter zijn niet louter de oplossing is, maar in dit geval juist een verdere complicatie aan het probleem onthult. We hebben een punt bereikt waarop geweld voor mannen – vooral geweld tegen vrouwen, inclusief schending van seksuele autonomie op straat – een pad is geworden dat men al dan niet kan kiezen te betreden, en de meeste mannen kiezen op de meeste dagen ervoor om van dat pad af te blijven. Voor de meeste vrouwen, echter, is geweld of de dreiging van geweld iets waarmee ze moeten leven op een alledaags niveau, en in tegenstelling tot mannen hebben vrouwen hierin zelden enige keuze.
Wellicht simpeler samengevat: het is ons in de afgelopen eeuwen zeker gelukt mannelijk geweld ten opzichte van vrouwen te verminderen, maar zelfs als slechts één in duizenden mannen zich eraan schuldig maakt, dan nog treft het de levens van bijna alle vrouwen.
Toen ik tot dit besef kwam, werd ik herinnerd aan de woorden van twee mensen. De eerste van hen was Margaret Atwood, aan wie het citaat “Men fear that women will laugh at them. Women fear that men will kill them,” wordt toegeschreven. De tweede persoon, een tijdgenoot van Atwood en in dit geval aanvullend op haar citaat, was stand-up comedian George Carlin, die mij in mijn jongere jaren voor het eerst deed opwarmen naar de ideeën van het feminisme toe toen hij schreef: “Not all men. Just enough. Just enough to fuck things up.”
Interview met Filip Keymeulen, straathoekwerker van beroep bij DIOGENES vzw en auteur van Alhambra.
‘Be curious, not judgemental’ Het zou de leuze kunnen zijn van een straathoekwerker, in hun manier van werken met straatbewoners en andere kwetsbare doelgroepen. Free.Brussels sprak met Filip Keymeulen, straathoekwerker bij DIOGENES vzw en auteur van de gepubliceerde roman Alhambra. Dat genoemd werd naar de gelijknamige Brusselse wijk en dat het ontroerende en soms pijnlijk realistische verhaal vertelt van enkele fictieve straatbewoners.
Dag Filip, zou je misschien eerst even kunnen verduidelijken wat een straathoekwerker zoal doet?
“Wel, je hebt verschillende soorten straathoekwerkers. Je hebt er die gelinkt zijn aan buurtwerken of gericht op specifieke territoria. Wij doen dat niet. Groot-Brussel is ons territorium en wij richten ons vooral op straatbewoners of mensen die niet over een eigen privé ruimte beschikken. Er is door Feantsa een typologie opgesteld rond dakloosheid: de eerste typologie is voor diegenen die buiten slapen, de tweede is voor zij die in de nachtopvang slapen. Dan zijn er degenen die in een opvanghuis verblijven. Vervolgens zijn er mensen die in transitwoningen zitten of mensen die bij derden slapen. Tenslotte is er ook een typologie voor mensen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld. Dit zijn evengoed mensen die wel een huis hebben maar zich daar niet thuis voelen. Ik vind het enorm belangrijk dat dat ook als een vorm van dakloosheid wordt gezien.
Wij gaan een soort relatie aan met de mensen die we tegenkomen. We starten oppervlakkig en we zorgen in een later stadium voor meer diepgang, of we proberen dat tenminste. Dat begint met curieus te zijn en interesse te tonen in de mensen. Wij komen niet onmiddellijk met oplossingen. Wij richten ons niet uitzonderlijk op de maatschappelijke thema’s maar wij proberen de mensen in hun volledigheid te zien. Ik stel mezelf ook niet direct voor als straathoekwerker of maatschappelijk werker. Ik ben in de eerste plaats gewoon een passant die een praatje komt maken met die mensen. Pas in een latere fase gaan we kijken of we die persoon concreet kunnen helpen. Dat kan heel breed zijn. Bijvoorbeeld doorverwijzen naar een OCMW, naar gezondheidszorg, terug in contact brengen met familie, …”
Wij komen niet onmiddellijk met oplossingen. Wij richten ons niet uitzonderlijk op de maatschappelijke thema’s maar wij proberen de mensen in hun volledigheid te zien.
Hoe verlopen die eerste contacten?
“Dat begint met een keer goeiedag zeggen, die persoon misschien een sigaret aanbieden of op een koffie trakteren, soms een andere keer terugkomen. Soms heeft dat wat tijd nodig. Het heeft bij mij, in het begin van mijn carrière ook enkele maanden geduurd om die contacten te leggen en de mensen wat te leren kennen. Ondertussen doe ik dit al zestien jaar en moet ik zorgen dat ik mijn week niet vol plan met afspraken maar dat ik tijd vrij hou om op straat te zijn. Om nieuwe mensen tegen te komen, maar ook mensen van vroeger die je opnieuw tegenkomt. Om op straat rond te hangen en te zien wat er aan het veranderen is. Niet alleen de mensen, maar ook de problematieken, zoals het druggebruik of het aantal asielzoekers zonder opvang. Beiden actueel.”
Moeten jullie soms interveniëren of streng optreden?
“Nee, zo werkt het niet, of toch zeker niet onmiddellijk. Het duurt een tijd voor je het recht opbouwt om iemand wat strenger aan te manen. In de eerste plaats oordelen wij niet. De dakloze blijft een volwaardige mens en zo gaan wij die ook behandelen. Iemand mag zich afkeren van de maatschappelijke instituten. Iemand mag van ons ook gebruiken en hervallen. Wij zetten ons naast de mensen. Wat wij vooral aanbieden is voorstellingsvermogen. Wij proberen hen te helpen om een mogelijk doel voor ogen te hebben en de nodige stappen te visualiseren. Dat vind ik zelf één van de meest boeiende aspecten van de job. Dat psychologisch spel dat we spelen. Nadien volgt het spel van de rechten. Waar heeft de persoon recht op en hoe komen we tot dit recht. Dat vergt kennis en knowhow waarover we als straathoekwerker moeten beschikken.”
Ben je zelf psycholoog van opleiding?
“Nee, ik ben maatschappelijk werker. Wij zitten met heel veel verschillende achtergronden in ons team. Wij hebben psychologen en maatschappelijk werkers maar ook iemand die fotograaf is van opleiding, een filosoof,… En we hebben ervaringsdeskundigen. Het is die diversiteit die ons rijker maakt. In principe hebben wij zelf geen concrete diensten. We beschikken niet over opvang, doen niet aan medische zorgen enzovoort. Daarvoor verwijzen wij door naar andere organisaties. En dat is eigenlijk goed, want door iemand door te verwijzen maak je voor die persoon weer een nieuwe link met de samenleving. Door bijvoorbeeld te zorgen dat iemand een huisdokter heeft, zorg je ervoor dat die persoon weer een beetje meer is ingeschreven in de samenleving.”
Ik denk dat mensen dak- of thuisloosheid vaak iets zien als iets dat ver van hen staat. Iets dat hen nooit zou kunnen overkomen. Maar hoe komt iemand op straat terecht? Of hoe wordt iemand thuisloos?
“Er zijn uiteraard wel een aantal factoren. Wanneer er een verslavingsproblematiek is bijvoorbeeld. Mensen die korter geschoold zijn maken ook meer kans, maar niemand is gegarandeerd veilig. De helft van de mensen die we als straathoekwerkers bij Diogenes begeleiden, hebben mentale problemen. Ik heb bijvoorbeeld een situatie gehad met twee jonge mensen wiens mama een psychose had gekregen en vermist was geraakt. Zij hadden daar al twee jaar geen contact meer mee gehad, toen bleek dat zij op straat leefde. Daarvoor was dat gewoon iemand zoals jij en ik, die op een bureau in de privé werkte. Zij hadden haar na twee jaar dus gevonden en mij opgebeld. Ik ben naar hen toegekomen en die vrouw zat daar op een bankje, vies en vuil, starend in de leegte, met haar twee kinderen huilend naast haar. Dat heeft mij heel hard geraakt.”
Er is niets zo ergs als bij mensen waarbij je geen verdere stappen kan zetten, dat die hulp dan stopt. Die mens verdient het evengoed om als mens te worden gezien en behandeld.
“Wanneer het de familie is die ons contacteert, is dat voor mij een moeilijke want er is maar zoveel dat ik kan doen. Ja, ik kan eens goeiedag komen zeggen, zien hoe het met die mens gaat. Maar ik kan niet interveniëren. Dat gaat over een volwassen mens. Die persoon heeft het recht om daar te zijn. Die mag een psychose krijgen en op straat leven. Er is geen enkele wet die hem dat belet. Alleen wanneer die persoon een gevaar blijkt te zijn voor zichzelf en voor anderen kan men interveniëren en die bijvoorbeeld gedwongen laten opnemen. Voor familieleden is dat natuurlijk heel moeilijk om te moeten horen. Dus ja, ik ben regelmatig bij die mevrouw langsgekomen om te zien of ik iets kon doen. Een paar maanden later had zij slechts een nieuw paar schoenen nodig. Een anderhalf jaar later was die vrouw dan plots verdwenen. Bleek achteraf dat zij zich onder een andere naam bij Samusocial had ingeschreven. En van daaruit is zij naar een onthaaltehuis gegaan en heb ik ervoor gezorgd dat er een psychiater kon langskomen. Kan ik zeggen dat ik daar een rol heb gespeeld? Ik stel me die vraag. Maar ik heb wel mijn werk gedaan door contact met haar te blijven houden en linken te maken en naar de familie te luisteren.”
Wat ik zo mooi vind aan jouw boek, is dat het een gezicht en een persoonlijkheid plakt op mensen die vaak worden gereduceerd tot hun dakloosheid. Word je vaak verrast door de mensen die u ontmoet?
“Langs alle kanten. Ik heb bijvoorbeeld een gast, die dakloos is geweest, die gedichten schrijft. Ik spreek met hem niet over die dakloosheid. Wij spreken over schrijven. Ik wil het niet altijd met hen over sociale problemen hebben. Wij spreken over het weer, wij spreken over voetbal, over de politiek. Wij spreken over van alles en zeker in het begin, zo weinig mogelijk concreet. Dat opent geesten en je leert zo mensen beter kennen. Er zijn ook mensen voor wie je weinig concreets kan doen. Mensen zonder papieren bijvoorbeeld. Daar bestaat niet altijd een oplossing voor. Maar daarom is het juist zo belangrijk om met hen te werken. Er is niets zo erg als bij mensen waarbij je geen verdere stappen kan zetten, dat die hulp dan stopt. Die mensen verdienen het evengoed om als mens te worden gezien en behandeld.”
Kan die uitzichtloosheid soms niet mentaal enorm hard wegen op jou of je collega’s?
“Dat valt nog wel mee. Omdat je op individueel niveau altijd wel dingen vindt waarmee je verder kan. Maar het groter geheel frustreert mij wel enorm. Ik vind het heel erg om al die tentjes op de brug voor het Klein Kasteeltje te zien. Ik vind het heel erg om te zien wat er aan het gebeuren is met dat pand in de Paleizenstraat. Ik vind het heel erg dat het zo moeilijk is om aan een OCMW te geraken. Dat vind ik verschrikkelijk. Als ik soms uitgeput ben, dan komt dat daardoor. Ik vind dat onze maatschappij harder en harder aan het worden is en het wordt steeds moeilijker om daaruit te geraken.”
Doet Brussel daar te weinig?
“Ik denk dat de stad Brussel al kei veel doet. Kan Brussel meer doen? Wel, het is zeker niet gemakkelijk. Brussel zit met het meeste aantal daklozen in België en je zit ook met een moeilijk institutioneel kader. Brussel zelf heeft ook beperkte middelen, maar ik denk dat groot Brussel als gewest en België als land zeker meer kunnen doen. We moeten bijvoorbeeld veel meer toegankelijke woningen hebben.”
Tijdens een lezing zei je dat het voorzien van een woning de eerste en meest belangrijke stap moet zijn om iemand te helpen?
“Ja, er zijn natuurlijk wel dingen die je al eerder kan doen. Je moet uiteraard niet wachten met medische hulp of met het voorzien van een uitkering als dat stappen zijn die je eerder kan zetten. Maar toch zou de stad er voor moeten zorgen dat iedereen aan een woning kan geraken. Men spreekt van het recht op wonen. Dat is er dus niet hé. Je hebt wel het recht op een degelijke woning. Het moment dat je een woning hebt en er is iets mis met je woning, dan kan je je huisbaas aanklagen. Maar wie ga je aanklagen als je geen woning hebt?
Daarom heb je het Housing First project. Dat is bedoeld voor de meest kwetsbare daklozen. Mensen die al een lange tijd dakloos zijn én een verslavingsproblematiek hebben én een mentale problematiek. Wanneer ze die combinatie hebben, kunnen zij prioritair een woning krijgen. Maar ook die plaatsten zijn beperkt natuurlijk.”
Mijn advies aan elke maatschappelijk werker of straathoekwerker om een burn-out te voorkomen: Aanvaard dat het waarschijnlijk altijd wel ergens mis zal gaan.
Wat motiveert jou om dit werk te blijven doen?
“Het ontmoeten van mensen en hen leren kennen. Om langzaam die laagjes er af te pellen en die levensverhalen te ontdekken. Ik vind het ook fijn dat we daar de tijd voor krijgen. Er wordt niets van ons geëist. En wij eisen op onze beurt ook niets van die mensen. Mensen hebben het recht om te hervallen. Dat is trouwens ook mijn advies aan elke maatschappelijk werker of straathoekwerker om een burn-out te voorkomen. Aanvaard dat het waarschijnlijk altijd wel ergens mis zal gaan.”
En wat is je advies aan de gewone Brusselaars die toch wel dagelijks geconfronteerd worden met die dakloosheid?
“Mijn advies is om de mensen zien. Weten dat ze er zijn. Ik denk dat heel veel gewone Brusselaars het nu al moeilijk hebben. Voor diegene die het al met minder moesten doen, gaat het dus nog veel moeilijker worden. Ik denk dat we ons er allen van bewust moeten zijn dat de samenleving veel harder is geworden.”
Ambieer je trouwens om nog boeken te schrijven?
“Zeker! Ik ben aan het schrijven. Maar ik heb nog veel werk. Maar dat mag ook hè, ik heb tijd.”
Wat is DIOGENES?
DIOGENES is een vzw die daklozen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest helpt door middel van straathoekwerk. De organisatie werd opgericht in 1995, niet toevallig nadat in 1993 de wet voor beteugeling van landloperij en bedelarij werd afgeschaft. In de eerste plaats werd er vanuit de maatschappij vooral geïnvesteerd in onthaalcentra. Toen die echter leeg bleven, is men meer aan straathoekwerk beginnen doen om contact te leggen met de daklozen en door te dringen tot hun leefwereld. Vanuit DIOGENES werden andere projecten opgestart zoals onder andere Ondersteuning bij Woonst, de aanwerving van een interculturele Roma bemiddelaarster, het collectief Straatdoden en het project Metro Verbindingen. Meer info vindt u op www.diogenes.brussels.
Fransje Wagemans is redacteur bij Free.BrusselsRosa van Triest is illustrator bij Free.Brussels
Steeds meer Brusselse bedrijven maken de overstap naar een meer duurzaam en milieuvriendelijk productieproces. Dat deed ook Brussels Aquaponic Farm, de eerste BIGH-stadsboerderij in Brussel. Dit bedrijf, gelegen op het dak van de Foodmet op de site van de Abattoir in Anderlecht, kweekt zowel vissen, groenten als planten. En dit allemaal zonder een druppel water te verspillen!
Benieuwd? Free.Brussels ging bij hen langs om te zien hoe dit allemaal in zijn werk gaat.
BIGH staat voor ‘Building Integrated GreenHouses’ en is een aquaponics-kwekerij. Een aqua wat? De stadsboerderij combineert aqua- met hydrocultuur. Dat betekent in de praktijk dat men het water van de visvijver niet verloren laat gaan, maar gebruikt als irrigatie voor de groenten en planten die zij daar ook kweken. Op die manier verbruikt BIGH negentig procent minder water dan in de reguliere aquacultuur. Een zeer efficiënt systeem dus om water te besparen.
Don’t be Square. Be circular!
De cirkel is rond. Daar draait het om bij circulaire economie. Materialen en producten worden tijdens het productieproces zo veel mogelijk hergebruikt zodat afval tot een minimum kan beperkt worden. Dit economisch systeem biedt een antwoord op het groeiend tekort aan grondstoffen, maar is ook goed voor ons klimaat. De CO2-uitstoot kunnen we hiermee sterk de kop indrukken.
Dat hebben ze ook in onze Europese hoofdstad begrepen. BIGH is helemaal niet de enige in Brussel die zich specialiseert in het produceren van voedsel zonder daarbij de omgeving te vervuilen of afval te moeten loodsen. Met de hulp van finance&invest.brussels kunnen heel wat lokale initiatieven zoals BIGH uitgroeien tot grote projecten.
Aan Brusselse initiatieven geen gebrek. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zoekt samen met de Brusselaars mee naar een alternatief voor het weggooimodel waartegen de circulaire economie reageert. Zo lanceerde het in 2016 het Gewestelijk Programma voor Circulaire Economie (GPCE). Dit plan, ook wel “Be Circular” genoemd, telt 111 maatregelen en heeft drie belangrijke ambities: milieudoelstellingen omzetten in economische opportuniteiten, de economie in Brussel verankeren en bijdragen aan het creëren van werkgelegenheid. Dit is een programma waar ook hub.brussels (Brussels Agentschap voor de Ondersteuning van het Bedrijfsleven) actief aan bijdraagt.
Bezoek BIGH
Brussel ziet het dus ambitieus en dat doet BIGH ook. Het wil een duurzaam antwoord kunnen bieden op de vraag naar voedsel in het jaar 2050. De boerderij is voorlopig enkel gestationeerd in Brussel, maar wil graag ook haar fysieke grenzen verleggen en uitbreiden naar andere steden.
Wil je meer weten over BIGH? Breng dan net als Free.Brussels een bezoek! Ook een aanrader om in het voorjaar te bezoeken, want dan staat alles mooi in bloei! De viskwekerij en het prachtige uitzicht over Brussel zijn trouwens inbegrepen wanneer je er een rondleiding boekt. Meer info vind je hier.
Houd ons platform zeker in de gaten, want binnenkort komt ook de coöperatieve vereniging PermaFungi aan bod. Dit Brussels project dat koffiegruis hergebruikt als voedingsbodem voor oesterzwammen, kiest net als BIGH resoluut voor de circulaire economie.
Meer dan 30 000 klimaat betogers eisen meer dringende en concrete maatregelen ter bescherming van het klimaat.
‘Change the system, not the climate!’ – Een populaire slogan tijdens de klimaatbetoging op 22 oktober in Brussel. Deze werd georganiseerd in aanloop van de klimaatconferentie in Sharm-el-Sheik, Egypte. Bij HuisvandeMens Brussel kon je voorafgaande aan de betoging langskomen voor een volledig vegan en zero waste brunch, om in de juiste stemming te komen, te discussiëren met gelijkgezinden en om gevoelens en gedachten neer te pennen op een kartonnen plakkaat. Free.Brussels ging horen bij een aantal participanten waarom zij deelnamen, hoe zij de toekomst zagen en wat zij graag zouden zien gebeuren.
Eco-suïcidaal
Al vroeg aanwezig op de brunch zijn Christina en Carine van het Tuiniersforum Des Jardiniers. Ze willen gerust even tijd maken voor een interview maar vragen me om nog even te wachten. Samen met enkele collega’s zijn ze nog even aan het vergaderen. “We moeten onze relatie met de natuur herstellen,” vertelt Christina kordaat, wanneer we ons na hun overleg even apart zetten voor het interview. ‘Ons samenlevingsmodel is structureel eco-suïcidaal. Ons huidig systeem van bomen kappen, betonneren en altijd maar verder inzetten op stadsontwikkeling en groei dat maakt onze natuur kapot. Want die stadsontwikkeling is altijd in beton. Het gaat nooit over natuurontwikkeling’.
‘Ook het verdwijnen van biodiversiteit is een enorm probleem,’ vult haar collega Carine aan, ‘het snelle verdwijnen van dieren- en insectensoorten. Ik las laatst nog het rapport van WWF dat om de twee jaar uitkomt waarin werd vermeld dat er een gemiddelde daling is van 69% in de populatie van wilde dieren op nog geen halve eeuw tijd,’
‘Mag er dan geen ontwikkeling meer zijn?’ vraag ik. Christina antwoordt: ‘We moeten het gewoon doen met wat we reeds hebben. Hoeveel beton is er al? Hoeveel leegstaande gebouwen? We moeten meer richting een circulair model en we moeten ook gewoon leren leven met minder ruimte’.
We moeten het gewoon doen met wat we reeds hebben. Hoeveel beton is er al? Hoeveel leegstaande gebouwen? We moeten meer richting een circulair model en we moeten ook gewoon leren leven met minder ruimte.
Christina
Een hoopvolle boodschap
Dat we het met minder moeten doen, daar zijn ook Kato en Sofie het over eens. Twee jonge vrouwen die tevens aanwezig zijn op de brunch. Op het moment dat ik ze aanspreek zijn ze net bezig met de afwerking van hun plakkaat (lees: kunstwerk). De in het oog springende afbeelding van een smeltende ijsberg met daarnaast de slogan ‘Duty of Care’. Een verwijzing naar de documentaire van Nic Balthazar over de klimaatzaak die werd gespannen tegen Shell en die de week daarvoor nog werd afgespeeld in HuisvandeMens.
‘Laatst woonde ik een lezing bij van Yuval Noah Harari (historicus en auteur van Homo Sapiens),’ vertelt Sofie. ‘Wat mij vooral was bijgebleven was dat hij vertelde dat iedereen zijn steentje bij moet dragen in de klimaatstrijd en moest inzetten op zijn of haar sterktes.’ Zelf is ze ingenieur en probeert ze zich op die manier in te zetten voor het klimaat. ‘Maar de belangrijkste rol ging naar de dichters en kunstenaars. Omdat zij bepalen hoe we als samenleving naar de dingen kijken. Dat is wat wij vandaag op deze mars ook een beetje proberen te doen. De attitudes van mensen veranderen.’
‘We moeten collectief inzien dat we het met minder moeten doen,’ vult Kato aan, ‘Dat we aan levenskwaliteit moeten gaan inboeten en dat dat ook niet zo erg hoeft te zijn.’. Als ik de vraag stel hoe zij de toekomst zien, antwoordt Kato: ‘de vraag hoe het hier zal uitzien voor volgende generaties houdt mij wel bezig. Dan vraag ik me ook soms af of ik wel kinderen op de wereld wil zetten, zonder te weten welk lot hen is toebedeeld’.
Een ontroerde Sofie pikt daarop in: ‘In Engeland is er een politieke beslissing genomen om een bepaald erts uit de zeebodem te ontginnen door er kwik er over te gieten. Zo wordt dat erts uit de zeebodem geduwd en borrelt dat gas naar het zee oppervlak. Dan denk ik echt, waar zijn we mee bezig? Mensen beslissen dat gewoon. Kan alsjeblieft iemand op dat level iets doen want Kato mag toch wel een kindje op de wereld zetten.’
‘Toch ben ik hoopvol,’ zegt Kato. ‘En dat is geen naïviteit. Ik weiger gewoon om cynisch te zijn’.
Duty of Care: verwijzing naar documentaire van Nic Balthazar
Een strijd van alle generaties
Dan is het op naar de klimaatmars. Met geverfde plakkaten en een volle maag trekt het gezelschap richting Rogier, waar een grote menigte reeds is verzameld. En nog komen er mensen aanlopen vanuit het Noordstation. Opvallend zijn de koplopers van de mars, die grotendeels bestaan uit vertegenwoordigers van inheemse volkeren uit onder andere Kenia en het Amazonewoud. Zij zijn de eerste slachtoffers van de klimaatcrisis. In Europa zijn het vooral de jongere generaties die echt bedreigd zijn door het snel veranderende klimaat. ‘You will die of old age, we will die of climate change’ is één van de meer confronterende plakkaten op de betoging. Maar laat dat absoluut niet zeggen dat de oudere generaties onverschillig zijn, verre van. Zo zijn Grootouders voor het Klimaat een gevestigde aanwezigheid op de klimaatbetogingen.
Grooutouders voor het klimaat: een gevestigde waarde op iedere klimaatactie.
Terwijl de klimaat betogers met een langzame maar vaste tred hun weg verder zetten naar het jubelpark, spreek ik Jos en Susan aan. Zij lopen beide mee met Grootouders voor het Klimaat. Dat de staat van de planeet hen zorgen baart, wordt bevestigd door het feit dat zij vandaag vanuit Gent met het openbaar vervoer naar hier zijn gekomen.
‘Wij hebben al zes jaar geen auto meer. Dat zou het eerste zijn waar ik op zou inzetten,’ zegt Jos, ‘het gebruik van vliegtuigen en auto’s zwaar verminderen’.
Hotter than any date
Brussel is een melting pot van culturen en nationaliteiten en ook op de klimaatmars is die diversiteit terug te vinden. Oude vrienden Magali (Duits-Frans) en Saad (Marokkaans maar wonende in Italië) lopen vandaag samen mee met de klimaat betogers. Op de vraag waarom ze vandaag meelopen, antwoordt Saad als eerste: ‘Ik heb niet veel macht en er is maar zoveel dat ik kan doen, vandaag mee wandelen is daar één van’. Magali knikt: ‘We doen niet voldoende en we gaan te traag. Dus moeten we luid zijn!’. Toch doen ze zelf best al wat. Saad is zeebioloog en is actief bezig met het behoud van fauna onder water, met name zeeschildpadden. Magali reist veel voor haar werk en probeert dit zoveel mogelijk met de trein te doen. ‘En ik probeer ook mijn douches te beperken tot maximum 4 minuten. Dat is waarom ik mijn haar heb geknipt,’ zegt ze lachend, ‘om tijd en water te besparen’.
De toegang tot water is wat hen beide zorgen baart. ‘We hebben het deze zomer gezien in onder andere Frankrijk en Duitsland. De rivieren stonden schrijnend droog,’ zegt Magali. ‘En anderzijds de stijging van de zeespiegel,’ vult Saad aan, ‘dat zal als gevolg hebben dat grote groepen mensen moeten verhuizen, met massa immigratie en burgeroorlogen als gevolg’. Ook al doen ze beide veel voor het klimaat, er is slechts zoveel dat je als individu kan doen. De overheid moet deze goede acties van burgers faciliteren, vinden ze.
Er hoeft niet zo nodig een link te zijn tussen groei en extractie. We kunnen overgaan naar een welzijnseconomie.
Paul
Op Magali’s plakkaat is te lezen: ’the planet is hotter than any date’
Volgens Paul, een klimaat betoger uit het VK, is verandering mogelijk. ‘Er hoeft niet zo nodig een link te zijn tussen groei en extractie. We kunnen overgaan naar een welzijnseconomie. Welzijn is net zo goed een teken van economisch succes als de hoeveelheid financiële rijkdom dat een land weet te vergaren. Ik denk dat veel mensen ook achter dit idee staan’.
Spelen in het park
De triomfboog van het Jubelpark komt langzaamaan in zicht maar dat hoeft nog niet het einde te betekenen. Het zonnetje, alsook de vele drank- en voedselkraampjes nodigen mensen uit om nog even te blijven plakken. Families, verenigingen en vriendengroepen zetten zich met een drankje of hapje neer in het gras. Om af te sluiten spreek ik nog een groepje kinderen aan die reeds vrolijk aan het spelen zijn.
Marius, Nant, Dora en Alice verzamelden afval tijdens de klimaatmars
Hun speeltijd hebben ze wel verdiend. Voor de broers Marius en Nant en de zusjes Dora en Alice was het niet voldoende om simpelweg mee te lopen in de klimaatmars. Tijdens de wandeling naar hier hebben ze onderweg ook vlijtig zwerfvuil verzameld. Als ik hen vraag hoe zij de toekomst voorstellen is het antwoord simpelweg ‘niet goed’. ‘Ik denk aan gloeiend hete zomers en veel bosbranden,’ verduidelijkt Marius. Als ze het zelf voor het zeggen zouden hebben zouden ze véél meer bomen planten, minder vlees eten, alsook alle vervuilende bedrijven sluiten en alle auto’s vervangen door elektrische wagens. Zelf geven ze alvast het goede voorbeeld. ‘Ik eet vegetarisch en we hebben thuis ook geen auto,’ zegt Nora, ‘we gebruiken de fiets en soms gebruiken we een deelauto’. Tenslotte vraag ik hen wat hen hoop geeft.
‘Dat we hier met zo veel zijn vandaag,’ antwoorden ze, ‘dan moeten ze toch wel naar ons luisteren!’.
Inderdaad.
Over de auteur: Fransje Wagemans is redacteur bij Free.Brussels
Met de Brusselse organisatie Canal It Up kan je een kajaktocht maken waarbij je tijdens het rondvaren afval uit het kanaal haalt. Dit is helaas big business voor organisator Pieter Elsen, want door het uitblijven van statiegeld in België blijft de toestroom van afval voorlopig gegarandeerd. Een Brussel met wel 70 tot 90% minder plastic flesjes en blikjes zou het resultaat zijn na de invoering van statiegeld. Op vlak van recyclage scoort België al goed, maar ook hier is er zeker nog ruimte voor verbetering. En nee, met enkel de PMD-zak gaan we het niet halen. Pieter Elsen legde in ons gesprek uit dat statiegeld de noodzakelijke tussenstap is om betere cijfers te bekomen. Dat is ook de reden waarom de organisatie een cleanup marathon hield die mensen de kans gaf om zich via een petitie over het onderwerp uit te spreken.
Cleanup marathon
Kan je uitleggen waarom jullie deze cleanup marathon houden?
“Wij doen dat ter invoering van statiegeld. De bedoeling is om 15.000 handtekeningen te verzamelen zodat we recht hebben op een hoorzitting in het Vlaams parlement. Het is op dit moment eerder Vlaanderen die de invoering van statiegeld tegenhoudt. In het Brussels en het Waals regeerakkoord wordt er al over gesproken. De drie gewesten zullen het nochtans samen moeten invoeren op federaal niveau.”
Politici komen hier afval uit het kanaal vissen om te sensibiliseren tegen plasticvervuiling, maar statiegeld is dan geen oplossing voor hen.
Pieter Elsen
Wat is volgens jou de reden dat Vlaanderen niet volgt?
“Omdat de partijen aan de macht er niet voor zijn. Als ik mij niet vergis zijn Vlaams Belang, N-VA en Open Vld al minstens drie partijen die ertegen zijn. Waarom, dat is een hele goede vraag. Wij hebben hier soms politici die bij ons komen varen op het kanaal.
Ze zijn tegen plasticvervuiling, maar als we hen dan vragen om een handtekening, willen ze niet tekenen omdat de partijtop hen dat waarschijnlijk verbiedt. Ze komen hier afval uit het kanaal vissen om te sensibiliseren tegen plasticvervuiling, maar statiegeld is dan geen oplossing voor hen.”
“N-VA is hier nog niet komen varen, maar het maakt niet uit van welke partijen ze zijn. Het is heel moeilijk om te begrijpen. Of dat het nu over N-VA, Vlaams Belang of Open Vld gaat. Het is heel moeilijk om te begrijpen omdat meer dan 80 % van de mensen ja antwoorden als je ze op straat vraagt of ze voor statiegeld zijn.
Wij begrijpen niet wat er veranderd is bij die mensen in de regering die ertegen zijn, want dat zijn ook gewoon mensen. Een zeer grote factor is daar het gelobby van de industrie, van Fost Plus en dergelijke. Er zijn allemaal belangenvermengingen. Ze beloven dat ze het anders zullen oplossen, dat ze meer zullen sanctioneren en dat ze meer zullen sensibiliseren.
Het resultaat is dat het gewoon jaar na jaar slechter wordt en dat je meer en meer zwerfvuil op straat ziet. De cijfers gaan naar omhoog. De cijfers liegen er niet om. En dan komen er voorstellen om nog meer plastic in de blauwe zak te smijten. Dat zijn gewoon allemaal vertragingsmanoeuvres om het niet te moeten invoeren.
Zwerfvuil opruimen kost de gemeenten miljoenen en miljoenen. Op gemeentelijk bestuur zijn alle politici dan ook voor statiegeld. Je wilt niet weten hoe vaak de vuilbakken hier gewoon vol zijn waardoor mensen hun afval er naast zetten. De wind blaast het dan weg. Misschien kunnen we de lijn doortrekken: als 40% van het zwerfvuil blikjes en flesjes zijn, zit zo’n vuilbak misschien voor 40% vol met blikjes en flesjes.
Haal die er allemaal uit, zorg ervoor dat mensen daar zelf meer naar de supermarkt stappen. Je gaat de vuilbak drie keer langer kunnen laten staan zonder hem te ledigen. Je gaat zo veel minder moeten investeren in vuilnismannen. De kerel die nu de vuilbak leegmaakt, kan je dan waarschijnlijk een groter gebied geven zonder dat de vuilnisbakken overlopen.”
We gaan omringd worden door landen die statiegeld hebben, behalve wij omdat Vlaanderen tegen is.
Pieter Elsen
Wat met de richtlijn van de Europese Unie die tegen 2029 90% van alle plastic flessen ingezameld wil zien?
“Je kan daar niet geraken zonder statiegeld. Fost Plus mag zeggen wat ze willen. Statiegeld komt er sowieso overal in de Europese Unie voor 2029. Ze zijn er in Frankrijk ook mee bezig. Nederland heeft het juist ingevoerd. We gaan omringd worden door landen die statiegeld hebben, behalve wij omdat Vlaanderen tegen is.
Maar op gewestelijk niveau heb je plots politici zitten die verder verwijderd zijn van de problematiek en dan is statiegeld ineens niet meer nodig omdat zij die uitgaven niet op hun rekening krijgen. Een burgemeester ziet hoeveel ze elke maand uitgeven aan het opkuisen van zwerfvuil. Die is natuurlijk voorstander van statiegeld. Die staat dichter bij de realiteit dan de gewestelijke minister.”
Vermenging van belangen
Sommigen argumenteren dat het PMD-recyclagesysteem dan in gevaar komt en minder efficiënt zal worden.
“Dat is gewoon Fost Plus die denkt dat hij niet meer gaat overleven als er statiegeld komt. Dat is hun businessmodel, niet meer en niet minder. Zij halen hun inkomsten uit de blauwe zak door al die plastic flesjes en blikjes te verkopen aan recyclagebedrijven of metaalhandelaars die er dan nieuwe plastic flesjes of blikjes van maken.
Als er statiegeld komt, gaan die zaken in een ander circuit terechtkomen. Andere bedrijven gaan ook het recht hebben om die in te zamelen en te verkopen. Fost Plus verdedigt gewoon zijn economische belangen en wilt die stroom aan inkomsten niet kwijtspelen.
Bovendien zit de industrie er ook achter. De supermarkten bijvoorbeeld willen niet dat er statiegeld komt. Want wat gebeurt er vandaag? Vandaag ga jij naar de supermarkt, je gaat een flesje of een blikje kopen, je bent ermee weg en de supermarkt ziet dat nooit meer terug.
Dat is heel makkelijk. Iets wordt verkocht en komt nooit meer terug. In het geval van statiegeld komt alles wat zij verkopen terug naar de supermarkt. En zij krijgen er dan een logistiek systeem bij dat ze extra moeten regelen.”
Wie gaat er betalen voor alle inzamelautomaten die nodig zullen zijn?
“Bij de lokale kruidenier, Roger met zijn winkel, ga je zo’n automaat volgens mij niet terugvinden. Maar er gaan genoeg supermarkten en zelfs kleinere winkels zijn waar je je flesjes en blikjes van eender welke winkel kan invoeren.
De supermarkten zelf gaan daarin moeten investeren, maar ook de producenten horen hun deel te doen. Vandaag brengen zij dingen op de markt waarvan een deel in de natuur terecht komt. Ze betalen daarvoor een kleine bijdrage aan Fost Plus, maar dat heeft niks met de zwerfvuilproblematiek te maken.
Als een supermarkt honderd blikjes verzamelt, moet er gekeken worden naar het marktaandeel van elke producent. Als het aandeel van Coca Cola bijvoorbeeld 40% zou zijn, zou Coca Cola van 40% van de ingezamelde blikjes terug opnieuw verpakkingen moeten maken. Op die manier zijn producenten ook verantwoordelijk voor het eindproces van de producten die ze op de markt brengen.”
Wat belet producenten hun extra kosten niet door te rekenen aan de consument?
“De producenten zijn sowieso al bang voor statiegeld omdat de prijs van hun producten naar omhoog zal gaan met, laat ons zeggen, 25 cent. Dat willen ze niet. Ze willen niet met 25 cent naar omhoog gaan omdat ze dan denken dat ze minder gaan verkopen. Ze gaan daar dan niet nog eens twintig cent bijdoen. Dat gaat niet gebeuren.”
Denk je dat de burger bereid gaat zijn om dit te doen? De handeling die statiegeld vraagt, zal complexer zijn dan het afval gewoon in de blauwe zak te gooien.
“De blauwe zak moet je ook al sowieso thuis bijhouden. Het enige dat verschilt, is dat je iets moet meenemen naar de supermarkt als je naar de supermarkt gaat. Zoals je jouw stoffen zak meeneemt naar de winkel moet je in die stoffen zak jouw lege flesjes en blikjes meenemen om ze in de machine te steken.
Voor de rest verandert er niks. Zo’n grote aanpassing is dat niet. In Duitsland, Denemarken, Finland, Nederland en Zweden, werkt het al. Belgen zijn helemaal niet anders dan al die Europeanen. En 83% van de Belgen bleek uit onderzoek voorstander van statiegeld. Het is heel zelden dat iemand onze petitie niet wil tekenen.”
Alleen de supermarkten en de producenten moeten meer moeite doen. De mensen niet. Niemand moet meer betalen.
Pieter Elsen
Gaan de mensen die hun afval al jaren netjes sorteren niet het gevoel krijgen dat ze moeten opdraaien voor diegenen die zich niet aan de regels houden?
“Alleen supermarkten en de producenten moeten meer moeite doen. De mensen niet. Niemand moet meer betalen. Bij aankoop betaal je misschien meer, maar als je het gaat terugbrengen krijg je jouw geld terug. Er is niemand die daar meer voor moet betalen.”
Onlangs kwam nog maar eens in het nieuws dat er zich microplastics van het plastic, dat in het water terechtkomt, afscheiden die in ons voedsel terechtkomen. Een probleem dat de PMD-zak ooit kan oplossen?
“Ik daag je uit om eens een paar politici te gaan interviewen hé, zo à l’improviste. Om hen gewoon te gaan vragen: ‘Wat denkt u van statiegeld?’ ‘We hebben de blauwe zak en dat werkt goed’, zullen ze antwoorden. Dan moet je een keer doorvragen. Ah ja, de blauwe zak.
En Roger die hier over straat wandelt en zijn blikje op de grond smijt, heeft dan waarschijnlijk een blauwe zak mee om zijn blikje in te doen? Nee, de blauwe zak is voor consumptie thuis. Zwerfvuil gebeurt onderweg, dat heeft niets met de blauwe zak te maken. Dat is een idioot argument.
Er is ook een organisatie in Vlaanderen, Mooimakers, die is opgericht door Fost Plus om ervoor te zorgen dat de mensen gesensibiliseerd zouden worden en geen zwerfvuil meer zouden creëren. Die hebben campagnes op televisie en sociale media.
Het achterliggende idee van die organisaties, die door de industrie zelf in de wereld worden geroepen om het probleem op te lossen, is om te zeggen ‘mensen, gooi uw afval niet op straat’, ‘mensen, ga zelf clean-ups doen’, ‘mensen het is uw schuld.’ Dat is allemaal heel goed, maar dat is het enige waar ze op inzetten. Hogere sancties. Terwijl het de industrie is die miljoenen en miljoenen blikjes en flesjes produceert en buiten schot wordt gehouden.
Er wordt niets gezegd over zero waste. Er wordt niets gezegd over het aanpassen van gewoonten. Je hebt misschien geen wegwerpverpakkingen nodig. Je kan dat op een andere manier regelen. Niks, niks, niks. En al die campagnes zorgen er gewoon voor dat jij denkt: het is jouw schuld niet, maar jouw buur zijn schuld die zijn blikjes op straat gooit.
En zo zet je mensen tegen elkaar op en is er een deel van de bevolking die vervuilers zijn en een ander deel van de bevolking die als mooimakers – worden beschouwd die dan met hun eigen handen in hun vrije tijd een paar blikjes en flesjes gaan oprapen. Dat is niet de oplossing. Dat is op subtiele wijze gewoon de schuld bij de mens leggen.
Als jij niks van het debat afweet en je volgt al die media, dan ga je geloven dat zwerfvuil volledig de schuld van de mensen is. Het zijn natuurlijk de mensen die het op de straat gooien hé, maar het hele systeem is gewoon niet goed.”
Bewuster kopen door statiegeld
Kan statiegeld een incentive zijn voor de consument om andere producten ook bewuster te gaan kopen?
“Als je begint met plastic flesjes en blikjes zoals in andere landen kan je die daarna misschien doortrekken naar andere verpakkingen. Iedereen weet hoe het werkt. Er is al een logistiek systeem op poten gezet. Dan ga je misschien op andere producten zoals kartonnen melkflessen ook statiegeld beginnen invoeren.
En langs de andere kant heb je het systeem van die automaten waarbij de kans groot is dat je die ook gaat kunnen gebruiken voor herbruikbare verpakkingen. Als we nu bijvoorbeeld plastic flessen of glazen op de markt brengen die je ook in dezelfde automaat kan steken, magnifiek. Dan ben je niet gewoon met recyclage bezig, dan ben je nog een stap verder bezig. Dan ben je met hergebruik bezig. Dus het begin van statiegeld is het begin van nog veel meer.
Laat ons eerlijk zijn, statiegeld zien wij eerder als tussenoplossing. Dat is een stap op weg naar een circulaire economie, want recyclage is goed, maar dat is niet de oplossing die ons uit het zwerfvuilprobleem zal helpen. Je zou er allereerst voor moeten zorgen dat je geen wegwerpmaatschappij hebt, want een flesje en een blikje gebruik je vijf minuten en dan gooi je dat weg in de vuilbak.
Een groot deel daarvan komt in de natuur terecht. Dat is gewoon verspilling. Er zijn andere alternatieven. Vroeger bestond er het systeem met de glazen flesjes, wat vandaag nog altijd bestaat. Die flesjes gebruik je jaren opnieuw in plaats van enkele minuten.”
Als jullie een hoorzitting kunnen afdwingen, wat zou dat dan betekenen?
“De stem van de Belg heeft dan gesproken, maar een petitie bindt het parlement tot niets. Zij kunnen daarna evengoed zeggen: ‘Nee, wij vinden dat geen goed idee’ Wat nog belangrijker is, is dat het dan nog eens bovenaan de agenda wordt gezet zodat het dossier niet in slaap kan vallen. Want als niemand iets doet, van wie moet het dan komen?
De Statiegeldalliantie bestaat al zoveel jaren. Stilletjes aan komen er gemeentes bij, maar dat wil niet zeggen dat het daarom op de politieke agenda terechtkomt. Onze bedoeling is eigenlijk om nog eens duidelijk te maken dat de Belg statiegeld wil, anders zouden we nooit aan 15.000 handtekeningen geraken. De Belg zelf wil het. Wat houdt u dan tegen om de Belg te geven wat hij wil? De Belg wil het en de natuur heeft geen stem. Wij vragen het voor de natuur.”
De papieren petitie van Canal It Up kan je hier printen en is via foto of per post terug te bezorgen aan de organisatie.
Over de auteur: Jelena Van Wichelen is redacteur bij Free.Brussel
Bekijk de stad door de bril van een meisje of (jonge) vrouw en je zou wel eens kunnen schrikken. Voortdurend alert en anticiperend op mogelijk gevaar beweegt zij zich voort in haar stad. Van jongs af aan worden meisjes gewezen op hun kwetsbare positie binnen de publieke ruimte en aangemaand om daarnaar te handelen. Ook in een land als België dat emancipatie doorgaans hoog in het vaandel lijkt te dragen, geldt het fundamentele recht op bewegingsvrijheid maar voor de helft van zijn bevolking.
Het digitaal platform Safer Cities van Plan International wil de afweging die veel meisjes vandaag maken tussen zich vrij kunnen verplaatsen en de kans om lastig gevallen te worden overbodig maken. Door voorvallen van seksuele intimidatie op straat in kaart te brengen en die om te zetten naar concrete beleidsaanbevelingen kan de publieke ruimte haar naam misschien terug recht aandoen. Onlangs verscheen er een rapport met een eerste analyse van de meldingen die het platform registreerde. De resultaten zijn op z’n zachtst gezegd alarmerend te noemen.
In Brussel vindt seksuele intimidatie voor 29% plaats op straat, voor 20% op het openbaar vervoer en voor 20% op vrijetijdsplaatsen
Hotspots van seksuele intimidatie
Wat is het Safer Cities platform?
Het plaform kadert binnen het Safer Cities programma dat ondertussen al zo’n tien jaar bestaat en door Plan International samen met de Verenigde Naties op internationaal vlak werd opgericht. Safer Cities streeft ernaar om “veilige, verantwoordelijke en inclusieve steden te bouwen met en voor jongeren in al hun diversiteit.” Het programma werd uitgerold in steden als Caïro, Lima en Delhi en met de hulp van Europese middelen is ook in België het programma van start kunnen gaan in Brussel, Antwerpen en Charleroi. In 2021 heeft ook de stad Gent zich aangesloten.
Het online platform is later aan het Safer Cities project toegevoegd om een groot aantal concrete verhalen van jongeren naar het oppervlak te brengen die tot nu toe onder de radar bleven. De nood aan een laagdrempelige manier om informatie te verzamelen was hoog, want het rapporteren van seksuele intimidatie gebeurt veel te weinig. Volgens Wouter Stes, coördinator van het Safer Cities project, zou slecht 6% van de slachtoffers aangifte doen bij de politie. Het gebrek aan data geeft een gebrekkig beleid. Het taboe dat nog steeds rond het onderwerp heerst en het leven in een samenleving die dit gedrag lijkt te normaliseren, maakt de drempel om het gedrag te rapporteren vaak extra hoog.
“De maatschappij waarin wij leven aanvaardt discriminatie, alsof het deel uitmaakt van het dagelijks leven of zelfs een norm is.”
Gebruiker van het platform, 23 jaar, Charleroi
Een beleidstool om selffulfilling prophecies te voorkomen
Jongeren kunnen door het plaatsen van een pin tot op straatniveau plekken aanduiden waar ze zich onveilig (of net wel veilig) voelden. Hierdoor kan het huidige tekort aan data mee verholpen worden en nemen de slachtoffers een belangrijke signaalfunctie op zich. Naast het kwantitatieve aspect stelt het platform ook bijvragen zoals wat volgens het slachtoffer het motief was van de dader. De intimidatie kan vanuit seksistische hoek komen, maar ook racistisch gemotiveerd zijn, vanuit een sociale klasse verschil komen of gebaseerd zijn op holebihaat. Op die manier wordt er bij het plaatsen van getuigenissen ook naar intersectionaliteit gepeild.
Plan heeft bewust voor een beleidstool gekozen waarbij de gegevens naar de stedelijke diensten worden doorgespeeld die dan heel gericht maatregelen kunnen nemen. Bij een live tool zouden boodschappen als “dit is een onveilige wijk” ervoor zorgen dat de beleving van die wijk al een invulling krijgt nog voor mensen er zelf eens zijn langs geweest. De organisatie houdt liever zelf de controle in handen om zo stigmatisering van bepaalde plekken tegen te gaan. Er zijn volgens Stes wel hotspots van seksuele intimidatie zoals treinstations en uitgaansbuurten. Specifiek in Brussel vindt seksuele intimidatie voor 29% plaats op straat, voor 20% op het openbaar vervoer en voor 20% op vrijetijdsplaatsen. Ook op weg naar school heeft 9% van de Brusselse jongeren last van seksuele intimidatie.
Verontrustende cijfers met een grote impact
Het advies aan vrouwen om hun agenda te schikken naargelang het uur van de dag en het feit of ze al dan niet in gezelschap zijn, is geen paternalistisch gebullshit of overbodige luxe. Zo geeft 91% van de meisjes en 28% van de jongens aan slachtoffer te zijn geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het is dus een veel voorkomend maatschappelijk probleem met verregaande gevolgen. Voornamelijk op psychisch en lichamelijk vlak, maar zeker ook op hoe een slachtoffer zich vanaf dan in de stad gaat voortbewegen. “Het is zowel door het feit zelf, maar ook door de beperking van die bewegingsvrijheid dat er verschillende rechten worden geschonden”, vertelt Stes. Uit het recent uitgebrachte rapport komt dan ook naar voren dat één op de twee meisjes in de Belgische steden zich beperkt voelen om zich vrij te bewegen. Dit gevoel leidt tot het maken van keuzes die invloed hebben op het dagelijks leven van meisjes.
“Het overkomt me zo vaak en als vrouw kan ik niet genieten van de natuur of een goed boek lezen in het park. (…). Ik wil me niet constant opgesloten voelen in mijn kamer! Ik heb ook het recht om op mijn gemak te zijn.”
Gebruiker van het platform, 23 jaar, Brussel
Wat er verder opvalt aan de cijfers is dat omstaanders bijna nooit in actie schieten wanneer ze getuige zijn van grensoverschrijdend gedrag. Het ingrijpen van getuigen kan nochtans een grote rol spelen bij het inperken van seksuele intimidatie. Brussel scoort hier met 70% opmerkelijk beter dan Antwerpen (97%) en Charleroi (91%). Volgens Plan is dit het resultaat van campagnes rond het omstanderseffect die de laatste jaren in Brussel reeds gevoerd werden.
Preventie en een veelzijdig beleid als antwoord
Bovenstaand voorbeeld toont aan dat sensibiliseren wel degelijk zijn effect heeft en het rapport biedt dan ook een aanbevelingsplan. Preventie door middel van campagnes is één van de vier pijlers die uit het platform en uit rechtstreeks overleg met jongeren voortvloeiden om seksuele intimidatie het hoofd te kunnen bieden. De omstaanders in openbare ruimtes moeten beseffen dat ze wel degelijk een verschil kunnen maken. Ook het hebben van genoeg aanspreekpunten en vertrouwenspersonen is volgens de jongeren cruciaal. Personen op school, bij het openbaar vervoer en in verenigingen zouden best opgeleid worden om deze rol op zich te kunnen nemen.
Daarnaast wordt aanbevolen om safe spaces te voorzien in vrijetijdszones waar vertrouwenspersonen daadwerkelijk aanspreekbaar zijn. Ook beveelt men aan om politieagenten meer te sensibiliseren zodat slachtoffers van seksuele intimidatie sneller naar het politiekantoor durven stappen. Een laatste belangrijk advies is om jongeren duidelijk een stem te geven in het werken aan inclusieve steden. Een uitgebreidere uiteenzetting van de aanbevelingen vind je hier terug.
”De volgende fase is om die boodschap over te brengen naar politici en het grote publiek zodat de aanbevelingen echt kunnen worden geïntegreerd in de werking van de stad.”, aldus Stes. Om die integratie vlot te laten verlopen, loopt er in elke stad een beleidstraject dat een nauwe samenwerking met lokale overheden en middenveldorganisaties moet stimuleren.
Meer vrouw op straat
Je kan nog tot eind augustus een melding maken op het platform. Er zijn al enorm veel nuttige cijfers en pakkende verhalen uit dit project gekomen, en in de periode 2022 – 2026 zullen ook een hoop andere steden aan het programma deelnemen. Ondertussen staat de meldingenteller in Brussel, Antwerpen, Gent en Charleroi op meer dan 4 100. De problematiek die voor veel vrouwen bij het dagelijks leven hoort, wordt zo eindelijk onderbouwd door data. We kunnen alleen maar hopen dat de druk op lokale en nationale overheden door dit project genoeg toeneemt en zich weet te vertalen in een geschikt beleid dat kan breken met deze norm.
Niemand kan nog zeggen “ik wist niet dat het zo erg was”. Het is nu aan de gehele samenleving incluis politiek om haar verantwoordelijkheid op te nemen en vrouwen te helpen een stuk van hun ontnomen vrijheid terug te geven. Nog urgenter dan het krijgen van straatnamen verdienen vrouwen bovenal een veilige plek op die straat. Nog urgenter dan het krijgen van straatnamen verdienen vrouwen bovenal een veilige plek op die straat.
Hassan Al Hilou (21) is een ondernemer uit Molenbeek met Iraakse roots die zich sinds zijn 15 inzet voor Brusselse jongeren. Hoe bereik je hen beter als organisatie? Wel, met meer liefde en betrokkenheid kom je blijkbaar al ver. Zit er een sociale ondernemer in je jonge genen? Hou dan zeker ons project CHAUD in de gaten.